Ze kunnen mij ook een liedje over Stalin vragen; De dienstbaarheid van tekstschrijver Jacques van Tol

Henk van Gelder: De Spookschrijver. Het raadsel Jacques van Tol, tekstschrijver. Uitg. Amber, 167 blz. Prijs ƒ 24,95

Beroepshalve teksten schrijven voor anderen is zoiets als verliefd worden op een prostituée: het overkomt mensen die niet beseffen dat het eigenlijk niet kan. Tekstschrijvers die hun werk aan uitvoerende kunstenaars ter beschikking stellen, geven een deel van hun persoonlijkheid weg. Zèlfs als de zangers, acteurs of cabaretiers geen letter van de tekst veranderen, hebben ze zich dat stuk van een ander toch toegeëigend. Omdat de woorden uit hún mond komen, worden het hún woorden. Zo ervaart het publiek het, en zo hoort het ook. Op deze fictie berust de magie van de voorstelling.

Tekstschrijvers raken daarmee automatisch op het tweede plan. Als ze goed zijn, worden hun namen wel bekend, maar alleen onder insiders. Hun teksten bereiken wel een publiek, maar gefilterd en geannexeerd door anderen. Op den duur moet dat hun ego ondermijnen, want gewoonlijk was hun oorspronkelijke drang tot schrijven gevoed door de behoefte iets van zichzelf uit te drukken, en daarvoor publieke erkenning te krijgen. Alleen toneelschrijvers hebben van dit probleem geen last: het is altijd even belangrijk geweest wie het stuk schreef als door wie het wordt opgevoerd. De andere soorten tekstschrijvers moeten met deze spanning leren leven of een onzichtbare hand zal hen voortdurend richting slijter duwen.

De pure tekstschrijver is, zeker in Nederland, schaars. Jacques van Tol was zo'n uitzondering. Hij raakte niet aan de drank, maar verhief de absolute dienstbaarheid aan zijn opdrachtgevers tot zijn hoogste doel - althans, dat zei hij steeds. Op bestelling schreef hij zowel lachsuccessen en gevoelige liedjes als antisemitische rotzooi. Men vroeg, en hij draaide. Het succes dat hij daarmee had, werd zijn noodlot.

Misschien zal de journalist Henk van Gelder, die na een levensbeschrijving van Wim Sonneveld (Sonneveld, uitg. Quintessence 1987) nu een biografie van Jacques van Tol heeft voltooid, bovenstaande gedachten over de ingebouwde tragiek van de professionele tekstschrijver gepsychologiseer van de koude grond vinden. In dat geval had hij moeten schrijven hoe het zit. Als Van Tol een raadsel is, zoals de ondertitel van de biografie luidt, had de biograaf tenminste een poging mogen wagen om dit raadsel te ontsluieren. Het raadsel is immers hoe iemands principe kon zijn "dat hij principeloos moest kunnen schrijven', aldus Van Gelder. Dat hij niet ingaat op het waarom daarvan, vind ik het enige gebrek (de schandalige afwezigheid van een register daargelaten) van deze in andere opzichten heel verhelderende biografie, die bovendien vlot geschreven is.

Gedurende meer dan vier decennia, sinds het midden van de jaren twintig tot zijn dood in 1969, bepaalden de teksten van Van Tol in aanzienlijke mate wat er in Nederland te beleven viel op het gebied van revue, cabaret en radio-amusement. Het kan niet anders of veel Nederlanders boven de vijftig zullen door dit boek ontdekken dat vrijwel alle meezingers die ze zich uit hun jeugd herinneren, uit de pen van Van Tol stammen. Zijn talent school in zijn vaardigheid feilloos de intonatie, de cadans en de woordkeus te treffen van degene die bij hem de tekst van een liedje, sketch of conférence bestelde.

Nadat de beroemde zanger en revue-ster Louis Davids vanaf 1923 Van Tols kwaliteiten honoreerde door hem als zijn vaste tekstenleverancier in te huren, was de naam "Jacques van Tol' aan het Rembrandtsplein en omgeving gevestigd. Hij schreef voor talloze revues met en zonder Louis Davids; dialogen van Van Tol vormden het fundament waarop Willy Walden en Piet Muyselaar het onverwoestbare bouwwerk van hun Snip & Snaprevue neerzetten. De KRO maakte van zijn werk gebruik voor gezellige en toch nette amusementsprogramma's als De Vrolijke Golf en De Aetherparade, die de katholieke luisteraar moesten weerhouden van omschakelen naar het platte vermaak van VARA en AVRO, waar Van Tol overigens ook voor werkte. De tekstschrijver raakte in redelijk goeden doen. Hij verhuisde met zijn tweede vrouw Jeanne Koopman naar een villa in het Gooi, waar in 1937 een dochter en in 1940 een zoon werden geboren. Tot zover niets bijzonders.

NSB

In 1939 werd Van Tol echter lid van de NSB. Op het oog een onbegrijpelijk initiatief van een a-politiek iemand als hij, vooral omdat het ruzie betekende met zijn vrouw, die hij op handen droeg. Bovendien was het opvallend omdat nauwelijks kunstenaars van enige rang zich tot deze partij hadden bekeerd. De aanleiding tot dat NSB-lidmaatschap mag de aandrang van Van Tols broer Frans zijn geweest, de oorzaak zat dieper. De NSB was de partij der ontevredenen, en Jacques van Tol was, zijn succes ten spijt, ontevreden. Henk van Gelder vermeldt dat Willy Walden het ongenoegen van Van Tol toeschreef aan een gevoel "onvoldoende gewaardeerd' te zijn, en altijd te zitten in "het hoekje waar de slagen vallen'. Openbaart zich hier soms het tekstschrijver-syndroom?

Van Gelders verklaring dat Van Tol zich "uit plichtsbesef' jegens de NSB in 1941 genoopt voelde te beginnen met het beruchte Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter (de naam was een pseudoniem van Van Tol dat hij had gebruikt voor stukjes in de Aalsmeerder Courant) op de gelijkgeschakelde Nederlandsche Omroep, klinkt wat mager. Daarvoor zat er net teveel vilein en hartgrondig anti-semitisme in de teksten, die werden vertolkt door ondermaatse kleinkunstenaars als Piet Rienks, diens vrouw Ceesje Speenhoff en M. Tummers. Ook de eigen verklaring die Van Tol aan Willy Waldens broer Gerard gaf, overtuigt niet: “Als morgen de communisten aan de macht komen, en om een paar liedjes over Stalin vragen, doe ik dat óók. 't Is gewoon mijn vak om dat te kunnen.” Dat antwoord past wel bij zijn kameleon-achtige beroepsuitoefening, maar het verklaart nog niets.

In dat opzicht is het jammer dat Van Gelder de relatie tussen Van Tol en de in 1939 gestorven Louis Davids niet verder heeft uitgediept. Onmiskenbaar zijn Davids en Van Tol heel belangrijk voor elkaars carrière geweest, en kennelijk mochten ze elkaar. De kattebelletjes van Davids aan Van Tol waaruit Van Gelder citeert, zijn vriendschappelijk van toon; Van Tol op zijn beurt schijnt zich de dood van zijn prominente opdrachtgever erg te hebben aangetrokken. Aan de andere kant maakte juist Davids zich bij uitstek schuldig aan datgene wat tekstschrijvers ernstige frustraties bezorgt: hij placht Van Tols auteurschap systematisch te verdonkeremanen. IJdel als hij was, wilde Davids doorgaan voor de schrijver van zijn teksten. Hij wilde ook de auteursrechten kopen van alle liedjes, inclusief lucratieve evergreens als Naar de bollen, De Olieman en De kleine man. Van Tol, onzakelijk als hij was, had daarin zonder morren toegestemd. “Niemand zegt in die jaren bij Jacques iets van anti-semitisme te hebben gemerkt,” schrijft Van Gelder.

Maar diezelfde Jacques voelde zich kennelijk wel zo "onvoldoende gewaardeerd' dat hij in het jaar van Davids' dood bij de NSB ging. Volgens de biograaf heeft Frans van Tol gezinspeeld op het feit dat Davids, die zijn broer geen publieke erkenning gaf, een jood was. Maar bij mij rijst het vermoeden dat Jacques van Tol zijn broer niet nodig had om tussen het een en het ander rancuneuze verbanden te leggen. Uit de biografie komt Van Tol naar voren als iemand die, hoe verbaal begaafd hij op papier ook was, zijn frustraties tot barstens toe opkropte. De kans dat de "vernedering' die de tekstschrijver door de uitvoerende kunstenaar werd aangedaan, moest worden gewroken, lijkt mij niet gering. Dat maskeerde hij door te poseren als "ik schrijf voor iederéén'.

Onderduikers

Als Van Tols verfoeilijk gedrag in de oorlog eigenlijk een achterstallige afrekening met Louis Davids is geweest, zou dat ook kunnen verklaren waarom hij al betrekkelijk snel weer afstand van de NSB nam. Dan zou hij met de oprichting van het Zondagmiddagcabaret zijn gram hebben gehaald, en was bij hem de druk van de ketel. Weliswaar is dit speculatie, anderzijds blijft nu die ommezwaai in het boek tamelijk raadselachtig. Al in 1942 speelde Van Tol met de gedachte zijn NSB-lidmaatschap op te zeggen, maar hij durfde niet. Wel distantieerde hij zich behoedzaam van het Zondagmiddagcabaret, dat in januari 1944 uit de ether verdween. Van Tol had toen al onderduikers in huis; zelf schreef hij het illegale blaadje Van hand tot hand vol, en bracht hij de gestencilde nummers persoonlijk rond in zijn woonplaats Laren. Dit zou kunnen wijzen op een diabolische uitgekooktheid, maar Van Tol rijst uit Van Gelders biografie helemaal niet op als een ijskoude cynicus. Eerder als een humaan, maar onzeker en onzakelijk mens. Het heeft Van Tol na de oorlog ook niet behoed voor gevangenisstraf. Hij werd in 1947 veroordeeld tot drie jaar internering met aftrek van voorarrest wegens zijn teksten en draaiboeken voor het Zondagmiddagcabaret. In 1949 kwam hij vrij.

De beschrijving van Van Tols naoorlogse bestaan vormt het hoogtepunt van de biografie. Koel en gedetailleerd doet Van Gelder uit de doeken hoe de Nederlandse kleinkunstwereld Van Tol in het openbaar verguisde, ondertussen in het geniep teksten bij hem betrekkend. Al in het interneringskamp op de Crailose heide bij Bussum propte Van Tol velletjes tekst voor de VARA-radio door het prikkeldraad. Daarachter stond Jan Hahn, chef gevarieerde programma's bij de rode omroep, om ze aan te pakken. Heintje Davids, de zus van Louis, deelde in interviews sneren uit aan het adres van Van Tol, om even later op datzelfde adres langs te gaan voor het bestellen van nieuwe teksten. Wim Sonneveld meende rustig het auteurschap te kunnen claimen van liedjes die Van Tol in zijn opdracht had geschreven. De slechtste instincten ontwaakten door de omstandigheid dat Jacques van Tol vogelvrij was geworden. Voor de buitenwereld bestond hij niet meer. En als hij zou durven klagen, zou niemand hem, de smerige nazi, au sérieux hebben genomen. Zo sleet Van Tol zijn laatste jaren op een sombere Amsterdamse bovenwoning (de villa had hij uiteraard moeten opgeven), misbruikt door de artiesten die met zijn woorden achter de microfoon goede sier stonden te maken. Hij was de vleesgeworden karikatuur van de tekstschrijver. De moraal van dit lied kan alleen maar luiden: een full-time tekstschrijver verkoopt zijn ziel aan de duivel.