Wie werkt, kan niet slecht zijn; Gesprek met Margriet de Moor

“Er is een groot verschil tussen iets beschrijven en iets laten gebeuren. Ik wil dingen laten gebeuren”, zegt Margriet de Moor, wier roman Eerst grijs dan wit dan blauw genomineerd is voor de AKO-literatuurprijs. Schrijven is volgens haar een autoritaire activiteit, maar het is ook net zoiets als muziek maken. De inhoud is niet zo belangrijk. Ook al wordt er een moord gepleegd.

Misschien wint Margriet de Moor dit jaar de AKO-literatuurprijs. Ze schreef de roman Eerst grijs dan wit dan blauw over een vrouw die wordt vermoord door haar echtgenoot, een schilder die zakenman is geworden. De vrouw is twee jaar op reis geweest en weigert bij terugkomst te vertellen waar zij is geweest.

Margriet de Moor studeerde piano en zang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en is pas op latere leeftijd (“Ik ben lange tijd een klassieke huismoeder geweest”) gaan schrijven. Zij debuteerde in 1988 met de verhalenbundel Op de rug gezien. een jaar later verscheen de novellenbundel Dubbelportret, waarvoor zij eveneens een AKO-nominatie kreeg.

Ik spreek de schrijfster in haar woonplaats Bussum.

Hoe kwam u op het idee voor dit boek?

“Daar zou ik lang over na moeten denken, want ik bewaar mijn aantekeningen niet, dat zou een rotzooi worden. Ik ben uitgegaan van een kleine kern waarin de vier delen van de roman al besloten zaten. Er is een moord, in een roes begaan, en in die gewelddaad zit een liefdesroman besloten die in het tweede en derde deel aan bod komt. Voor het evenwicht zaten daar meteen vanaf het begin het eerste en het vierde deel bij waarin twee tegengestelde waarnemingen worden beschreven, namelijk die van een oogarts en van een autistisch kind. Er is dus een heel kleine kern die zich wanneer je je erin gaat verdiepen blijkt uit te breiden.”

Hoe kwam u aan die moord?

“Dat is een aanleiding, een bericht dat je hoort uit je naaste omgeving. Ik wist van een bepaalde moord. Het was eigenlijk een anekdote. Een man die zijn vrouw met een briefopener vermoordt.”

Besloot u na het horen van dat verhaal een roman te schrijven?

“Nee, het was anders. Ik wilde een roman schrijven en zoals ik steeds heb gemerkt blijken zich dan allerlei dingen in mijn omgeving aan te dienen als materiaal. Er zitten in deze roman onvoorstelbaar veel details over wat je leest of de krant die je openslaat of iemand op straat die je een opmerking toevoegt.”

Hoe lang heeft u over dit boek gedaan?

“Ongeveer twee jaar. Ik ben er in oktober 1989 aan begonnen. Na het eerste deel heb ik het een paar maanden laten liggen, maar daarna ben ik toch verder gaan schrijven. Het was onontkoombaar. Ik heb nog geprobeerd om iets lichters te gaan schrijven. Maar dit boek zat gewoon in de weg.”

Het lijkt wel een soort trance.

“Dat lijkt misschien zo, maar je moet tijdens dit werk buitengewoon goed je hoofd erbij houden. Ik ga vaak uit van een A-viertje met aantekeningen en daarna verfijn ik het. Dat zijn soms abstracte aanwijzingen, of het zijn feiten die in een pagina moeten worden ondergebracht. Ik heb even veel kladblaadjes als het uiteindelijke resultaat.”

Is het schrijven zelf een kwestie van invullen?

“Nou invullen... de zinnen zijn erg zelfstandig. Ze gaan stilistisch niet echt hun eigen gang maar ze hebben wel hun eigen eisen. En ik ben me ervan bewust onder wat voor spanning twee gebeurtenissen aan elkaar moeten worden geschreven. Ik weet goed dat ik een gebeurtenis niet al te opgefokt moet opschrijven omdat anders de werking van de volgende gebeurtenis neutraal is. Daarmee kom je eigenlijk op muzikale termen. Ik ga van een espressivo naar een appassionato of van een andante naar een allegro. Of ik maak een overgangspassage waarin twee opeenvolgende thema's zich mengen. Het is dus abstract werk, behalve dat je in de literatuur werkt met concrete dingen. Wat ik schrijf is erg concreet.”

Ja, u schrijft bij voorbeeld over een half gesneden wit.

“En roggebrood en een rol beschuit. Zo is het natuurlijk. Dat is de werkelijkheid, het schrijven gaat aan de hand van feiten en niet aan de hand van beschouwingen. De moord is belangrijk, de briefopener is belangrijk, het strand, de bomen en planten, daar ben ik ongelooflijk concreet in. Ik heb een muziekverleden. Vandaar dat ik zo abstract denk. Maar als schrijver stop je er allemaal concrete feiten, details en taferelen in. Het leuke aan schrijven is dus dat het over twee sporen loopt.”

Mist u de muziek niet?

“Muziek is abstract, maar de werking van literatuur is naar mijn mening even abstract als die van muziek. De zeggingskracht van literatuur staat of valt niet met het thema, maar staat of valt met de manier waarop het is geschreven. Zelfs in romans die een groot en belangrijk thema hebben zoals van Tolstoj of Thomas Mann of in onze tijd van iemand als Kundera is het thema wel van belang maar of het werkt is toch vooral te danken aan de dynamische functie. Dat is waarom je ze leest. Want wil je een anti-oorlogspamflet dan hoef je niet per se zo'n dikke roman open te slaan.”

Wat vindt u het belangrijkste thema van het boek?

“Een thema van deze roman is het oplichten van iets wat onbekend is, een zoeken naar kennis. Dat geldt bij voorbeeld voor de kunstschilder, die met zijn métier precies zo omgaat als met zijn vrouw: hij wil de hand leggen op iets wat hij niet weet, wat helemaal niets bijzonders is want dat doet iedere kunstenaar, dat is puur naar de realiteit. Met dezelfde hartstocht als waarmee hij zijn vrouw wil kennen gaat hij ook een berg, een stilleven, een landschap te lijf. Er zit een ontzettende gepassioneerdheid in. Het waarnemen van het onbekende, dat zit in de hele roman.”

U gedraagt zich niet als een alwetende verteller. Waarom niet?

“Er zijn schrijvers die aan de buitenkant blijven. Ik probeer er in te komen, domweg omdat me dat interesseert. Er is een heel groot verschil tussen iets laten gebeuren en iets beschrijven. Ik wil dingen laten gebeuren. Als ik schrijf ben ik niets meer dan de herinneringen van mijn personages. Ik vul geen dingen in die ik niet weet als ik dat personage ben. Zo wil ik het doen.”

Heeft u nooit een oordeel over uw personages? Een voorkeur misschien?

“Mijn favoriete personage is het personage waar ik op dat moment mee schrijf. In het tweede deel, dat is geschreven vanuit de man Robert, lijkt het of de vrouw Magda zo gesloten is, en je denkt als lezer ook: wel verdomd, ze zit maar te zwijgen. Maar dat is niet waar. In werkelijkheid is Magda helemaal niet zo gesloten. De dingen die Robert van haar wil weten vertelt ze gewoon. Het is hem alleen nooit genoeg.”

Waarom gaat de vrouw eigenlijk op reis?

“Ze gaat weg, dat is gewoon een feit. Zij realiseert zich dat als ze even een stapje opzij had gedaan ze voor hetzelfde geld een ander leven had geleefd. Dat is een leuke gedachte die iedereen wel eens bekruipt en dan kom je op het zo geliefkoosde onderwerp van het dubbelleven, waarin het zwijgen, het niet vertellen gerechtvaardigd is. Het dubbelleven is een aantrekkelijke literaire gedachte.”

Het boek heeft als motto een citaat uit een strijkkwartet van Schönberg. Van welke muziek houdt u het meest?

“Schönberg hoort bij wat men wel de Weense drie noemt: Schönberg, Alban Berg, Webern. Die heb ik veel gezongen toen ik studeerde. Ik hield erg van wat men toen avantgarde-muziek noemde. Dat strijkkwartet is een kwartet met een sopraansolo in het derde en vierde deel, en het motto is natuurlijk geschikt voor de hele roman: Ich fühle Luft von anderem Planeten. Waar ik verder van houd is heel wisselend. Toen ik studeerde hield ik erg van het experiment en daar houd ik eigenlijk nog steeds van. Ik vind het belangrijk om je aan het experiment te wagen. Ik zong vaak de allernieuwste muziek, dus ook van degenen die op het conservatorium compositie studeerden.”

Voelt u zich verwant met schrijvers die zoals u muzikaal zijn aangelegd?

“Nee, dat zou ik niet kunnen zeggen. Ik ben altijd een lezer geweest en geen schrijver. Ik ben altijd een hartstochtelijk lezer geweest maar ik las niet analytisch.”

Maar u zult toch niet houden van boeken die...

“...die flodderig in elkaar zitten.”

Nou ja, flodderig...

“Het hangt ervan af. Ik houd van de vorm hoewel het me niet echt opvalt bij wat ik lees. Ik houd ook van dagboeken en brievenboeken en dat zijn niet bepaald boeken die ingenieus zijn in hun vorm.”

Wat u zegt over uw eigen werk klinkt onautobiografisch.

“Misschien noem je dat onautobiografisch, het begrip autobiografie is zeer ruim. Tot je autobiografie hoort ook wat je hebt gelezen en gehoord en gedacht en dat vermengt zich met de dingen die je hebt meegemaakt. Het is een uitgebreid gebied.”

Leggen lezers te snel verband tussen wat u schrijft en het dagelijkse leven?

“Men doet dat überhaupt. Pas als je erover gaat nadenken zie je hoe gek het is. Het schilderij van een landschap is een volkomen plat stukje hout of doek. Het ruikt niet naar boom, het voelt niet als boom en heeft de afmeting niet van een boom. Het is een wonder dat wij dat een boom noemen. Zo gaat het precies met literatuur. Men gaat er vanuit: het is een beschreven werkelijkheid, wat het natuurlijk helemaal niet is. Zelfs mijn praten is een moeizaam onder woorden brengen van gedachten. Processen die tijdens het schrijven plaats vinden probeer ik nu onder woorden te brengen, wat toch maar behelpen is. Je doet het nooit echt.”

Maar wat is dan wel echt? Wat er in het boek staat?

“De werkelijkheid zijn de woorden. Literatuur gaat over literatuur. Ik denk dat het materiaal waar je uit put niet eens zozeer de werkelijkheid is maar veeleer dat wat je hebt gelezen in andere boeken. Dat dicteert hoe je schrijft.”

Waarom wonen zo veel personages uit uw verhalen in Noordwijk?

“Ik heb nog even geaarzeld of ik dat in dit boek moest doen. Het is mijn geboorteplaats. Een plaats aan de kust die ik dus goed ken. Een vertrouwde plek. En waarom zouden ze er eigenlijk niet wonen? Er zijn veel schrijvers die hun boeken graag op dezelfde plek laten spelen, dus het idee stoot me niet af. Ik manipuleer het ook. Ik laat vaak in het midden of het Katwijk of Noordwijk is en de plekken die ik beschrijf zijn vaak niet helemaal echt. Dit boek geeft geen natuurgetrouwe afschildering van Noordwijk. In de novelle "Dubbelportret' komt een boulevard voor met twee standbeelden. In werkelijkheid staat het ene beeld in Noordwijk en het andere in Katwijk. Het is leuk om je dat te permitteren.”

Houdt u van de zee?

“Wie niet? Ja, ik houd er wel van. Ik houd eigenlijk niet van een huis tussen de bomen, zoals hier.”

Zijn uw personages niet wat lijdzaam?

“Ik weet niet of dat zo is. Wat noem je lijdzaam? Een vrouw die twee jaar weggaat kan ik toch nauwelijks lijdzaam noemen. Wel zit er een onontkoombaarheid in, soms zelfs een wetmatigheid. Er wordt ook wel gezegd dat de sfeer desolaat is. Maar dat is niet lijdzaam. De personages stellen wel degelijk daden. De mannelijke hoofdpersoon vind ik nogal daadkrachtig.”

Ja, hij pleegt een moord.

“Precies. En het is een schilder die van de ene op de andere dag besluit zakenman te worden. Voortvarend neemt hij een bedrijf over en brengt het tot grote bloei. Dus ik vind het nogal loslopen. Of neem Nellie, de moeder van de autistische jongen. Zo'n lieve meegaande echtgenote is toch ook een gedecideerde zakenvrouw die haar leven goed heeft georganiseerd.”

Bent u zelf lijdzaam?

“Nee. Ik grijp alleen weinig in, ik laat de personages in hun waarde. En ik vind het schrijven zelf al helemaal niet lijdzaam. Ik vind schrijven een ongelooflijk autoritaire activiteit.”

Heeft u dan misschien een gevoeligheid voor wat je het lot zou kunnen noemen?

“Ja, waarschijnlijk wel. Voor een zekere onontkoombaarheid. De moedigheid van de mens tegenover zijn omstandigheden, dat spreekt mij aan. Ik vind dat alle mensen in dit boek zich vrij moedig gedragen. Het zijn mensen die hoog gokken, mensen die zich niet neerleggen bij het triviale. Ze staan moedig tegenover krachten die ze niet aankunnen maar waarmee ze wel de strijd aangaan.”

U vindt dat wel iets om te prijzen?

“Ik bewonder het. Want wat is het alternatief? Klootjesvolk. Ik noem het esthetiek. Concentratie. Je komt het vaak tegen als je iemand aan het werk ziet. Een violist die staat te studeren, een winkelier die zijn etalage inricht en mooi maakt, iemand die iets maakt met zijn handen, een timmerman of een beeldend kunstenaar. Dan zie je iemands integriteit voor je ogen, daar hoef je geen woord aan vuil te maken.”

Wat heeft dat met integriteit te maken?

“Een zanger of een violist aan het werk, daar zit geen kwaad bij, er zit niks van een beul in, hij is helemaal goed hoezeer het ook een rotzak in zijn privéleven mag zijn. Heel extreem is het in het circus: de concentratie van een koorddanser of een trapezewerker. Ik heb heel lang pianoles gegeven en ik heb dus nogal wat van die krengetjes hier in mijn huis gehad, kinderen die piano willen of moeten leren spelen. Verschillende keren heb ik daar juwelen van concentratie gezien, terwijl je weet dat ze zo dadelijk weer een of ander kind dat toevallig het onderspit moet delven met z'n allen te grazen nemen.”

Iemand die opgaat in zijn vak, dat is mooi.

“Ja. Het is opvallend en waarschijnlijk onvermijdelijk dat in het onderling contact mensen hun integriteit vaak verliezen. Je gaat je slecht gedragen, de slechte kanten van je persoonlijkheid komen naar boven. In de uitoefening van een vak komen de goede dingen vaak naar boven. Ineens moet ik denken aan de school waarop ik heb gezeten. Die was gebouwd rondom een hal, er waren allemaal van die lichte ramen. Eerlijk gezegd was het de school van mijn vader. Die was daar leraar Frans en hoofd was hij ook en ik zat daar op school. Op een gegeven moment zag ik hem in een andere klas lesgeven, met een vuur, een vrolijkheid en een expressie... ik zie het nog zo voor me. En het klopt ook helemaal want hij deed dat vak ontzettend graag. En weer denk ik: helemaal in orde.”