Werd Eline seksueel misbruikt?

Simon Vestdijk noemt Eline Vere op het gebied van de neurosebeschrijving een baanbrekend werk, maar hij heeft ook kritiek op Couperus. In De zieke mens in de romanliteratuur schrijft hij dat Couperus te veel stilistische opsmuk gebruikt. “Een duizelende helderheid klotste in haar hersenen, het gesuizel gonsde in haar oren.” Als hier al sprake is van literaire schoonheid, is het er een die ten koste gaat van de zakelijke beschrijving van een geval van slapeloosheid. En dan te bedenken dat in deze beginperiode Couperus in zijn expressiemiddelen nog betrekkelijk terughoudend was. Vooral de dwangneurotische verschijnselen worden in de literatuur kunstmatig, opgemaakt, gestileerd, al te duidelijk, al te mededeelbaar beschreven, vindt Vestdijk. Dat geldt ook voor Rilke in die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge. Dan liever de imbeciel als romanfiguur, “wiens sterk vereenvoudigd gedachteleven evenmin rationalisering gedoogt als stilistische verfraaiing”. Dat doet mij denken aan het voorstel binnen de artificiële intelligentie dat men bij het vaststellen van de equivalentie tussen mens en machine, de laatste het 't beste kan laten opnemen - in de Turingtest - tegen een autistisch kind.

Tegen de psychopathologische roman in het algemeen heeft Vestdijk drie bezwaren: ten eerste vertoont de roman onmiskenbaar een achterstand ten opzichte van de psychiatrie, ten tweede neigt de romanschrijver tot te grote schilderachtigheid (zijn bezwaar tegen Eline Vere) en ten derde komt in de roman de neurose vaak uit de lucht vallen en krijgt de lezer geen inzicht in de gestage ontwikkeling van de ziektegeschiedenis. Meer specifiek ten aanzien van Eline Vere meent Vestdijk dat de karakteristiek van haar neurose slechts typerend was voor broze poppetjes in een decadent en avontuurloos Haags milieu aan het einde van de vorige eeuw.

De psychiater Frans de Jonghe is het met al deze bezwaren niet eens. Hij prijst het verbijsterend pathografisch inzicht van Couperus, lang voordat Freud zijn theorie wereldkundig maakte en lang voordat de Amerikaanse psychiatrie met een systematische opsomming van persoonlijkheidsstoornissen kwam. Bovendien komen de kwalen waaraan Eline Vere lijdt ook in onze tijd nog algemeen voor, hetgeen onder andere de herkenbaarheid van haar lot verklaart. Frans de Jonghe bespreekt in zijn boekje Eline Vere bij de psychiater vier vragen: waaraan lijdt Eline, wat is haar persoonlijkheidsstoornis, wat is in psychoanalytische zin de oorsprong van haar ziekte en wat had er tegen gedaan kunnen worden, als men toen beschikt had over de psychiatrische kennis van nu. De werkwijze van De Jonghe is eenvoudig en doeltreffend, zij het niet zonder problemen, maar daarover straks. Je verzamelt alle uitspraken uit het boek, waarin Eline zich over haar toestand beklaagt en net als in een therapeutisch gesprek krijg je vroeg of laat een idee van haar ziekte. Heb je eenmaal een idee van haar ziekte dan controleer je of zij inderdaad alle symptomen vertoont die bij dat ziektebeeld passen en ook daar kun je opnieuw bevestiging voor vinden. Hetzelfde geldt voor het opsporen van een eventuele persoonlijkheidsstoornis. Er bestaat een Amerikaans handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, waarvan de derde druk in 1987 werd herzien, hetgeen leidt tot de gangbare afkorting DSM-III-R. Voor elke persoonlijkheidsstoornis wordt een aantal kenmerken opgesomd. Laten we zeggen negen en het is voldoende dat de patiënt er aan vijf lijdt om hem bij die stoornis in te delen. Al die kenmerken zijn uit het boek te halen. Het resultaat van De Jonghe's diagnose is in menig opzicht verrassend.

Eline Vere lijdt aan een chronische depressie met een gevaar voor zelfdoding. Wat zijn de kenmerken van een depressie? Dat zijn er negen: aanhoudende somberheid (langer dan twee weken), verlies aan interesse en levenslust, problemen met de eetlust, slapeloosheid of juist grote slaperigheid, grote sloomheid of juist geagiteerde onrust, overmatige moeheid, onredelijke gevoelens van waardeloosheid, denkremmingen en ten slotte terugkerende gedachten aan de dood. Voor de psychiatrische diagnose van depressie is het voldoende als de patiënt vijf van de negen kenmerken vertoont. Eline vertoont ze alle negen. Dat zou thans goed bestreden kunnen worden met psychotherapie en antidepressiva, maar die waren er toen geen van beide. Haar arts geeft haar morfine, wat hem in onze tijd in aanraking gebracht zou hebben met justitie, volgens De Jonghe. Een andere vraag is of Eline een persoonlijkheidsstoornis vertoont. Iemand heeft een theatrale persoonlijkheidsstoornis als hij of zij minstens op vijf van de negen punten aan de beschrijving daarvan voldoet. Die punten zijn: het zoeken van lof, behaagziek en seksueel uitdagend gedrag, overdreven zorg om het uiterlijk, op een onaangepaste manier uiting geven aan emoties, een snel wisselend en oppervlakkig gevoelsleven, het slecht verdragen dat men niet het middelpunt van de aandacht is, zelfzucht en ten slotte een impressionistische en ongedetailleerde manier van praten. Eline vertoont deze kenmerken allemaal. Men kan ook aan de narcistische persoonlijkheid denken. Daarvoor geldt: licht geraakt, overdreven gevoel van eigen belangrijkheid, fantasieën over onbeperkt succes, behoefte aan bewondering, preoccupatie met gevoelens van jaloezie, gebrek aan inleving in wat omgaat in een ander, gevoel dat men slechts door weinigen kan worden begrepen, uitbuiting van anderen, menen dat men bijzondere rechten heeft. Eline vertoont zes (de eerste zes) van deze negen kenmerken en dat is genoeg. Eline heeft ook een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dan is er nog de zogenaamde borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarvoor geldt: instabiele en intense relaties met overmatige idealisering en kleinering, stemmingswisselingen, onbeheerste woede-uitbarstingen, identiteitsstoornis, preoccupatie met feitelijke of ingebeelde verlating, impulsiviteit, chronisch gevoel van verveling, suïcidale dreigingen. Eline voldoet met zekerheid aan vijf van de acht kenmerken en dat is genoeg om haar ook een borderline persoonlijkheidsstoornis toe te kennen. Dus in totaal negen ziektesymptomen en drie stoornissen met ongeveer twintig kenmerken. Is dat niet een beetje veel. Nee, zegt De Jonghe want alles komt in de psychiatrie in vermenging voor.

Hoe heeft het allemaal zover kunnen komen. Dat is de psychoanalytische vraag. Eline is het slachtoffer van oedipale en pre-oedipale problemen. Emotionele verwaarlozing door haar moeder, die zij tevergeefs bij haar vader probeerde te compenseren. Haat jegens haar moeder leidt tot onbewust schuldgevoel. Agressie jegens zichzelf, de wereld en de toekomst is het gevolg. Ook dat is typerend voor Eline Vere. De Jonghe zegt, dat als hij vandaag Eline in behandeling genomen zou hebben, hij de vraag niet had kunnen vermijden of zij als kind slachtoffer was van seksueel misbruik of van geweld. Als dat zo geweest zou zijn, dan kunnen wij nog een kenmerk bij Eline verwachten, namelijk een verhoogde gevoeligheid voor dissociatieve verschijnselen, breuken in het bewustzijn. Eline Vere wordt langzamerhand een wandelend psychiatrisch handboek.

Onder erkenning van de verdienste zijn er een aantal bezwaren tegen DSM-III-R. Het is natuurlijk geen sterk punt dat men persoonlijkheidsstoornissen per individu zo zwak kan onderscheiden. Sommige kenmerken zijn onheus jegens vrouwen omdat wat voor de psychiater als stoornis geldt binnen veel huwelijken als vanzelfsprekende deugd wordt opgevat, bij voorbeeld belangrijke levensbeslissingen overlaten aan de man (dit is feministen niet ontgaan natuurlijk). Werkelijk zwak is de meting van de kenmerken. Dat betreft de vraag naar de frequenties waarmee iemand ongewenst gedrag vertoont. Hier moeten wij ons geheel verlaten op de intuïtie van de geneesheer. Wat in De Jonghe's analyse opvalt is dat hij zoekt naar de acht of negen kenmerken die voor het een of ander gelden, maar geen overzicht geeft van alle persoonlijkheidseigenschappen die in het boek voorkomen, waardoor het voor de lezer onduidelijk is in welke mate Couperus te veel of te weinig noemde. Tot slot de vraag of Couperus nu een bijzonder knap psycholoog was door zijn anticipatie van Freud en de DSM-III-R. Ik geloof zonder meer dat hij dat was, maar ook dat zijn knapheid het diffuse karakter van de psychiatrische diagnostiek perfect weerspiegelt. Dat maakt het moeilijk zijn mensenkennis te normeren.