Wat lijkt op het gezang van een kanarie? Aquarellen van Kandinsky in Dusseldorf

Wassili Kandinsky begon zich in 1910 te bevrijden van de figuratie. Het is hem gelukt, maar na 1933, als hij in Parijs woont, keert de figuratie toch weer terug. “Steeds vaker doemen in zijn werken grillig gevormde figuurtjes op die sprekend lijken op amoeben en ongewervelde zeedieren.”

Kandinsky. Aquarelle und Zeichnungen. Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf. Tot 10 mei. Van 23 mei tot 2 augustus in de Staatsgalerie Stuttgart. Prijs catalogus ƒ 65,60.

Op de tentoonstelling "Kandinsky. Aquarelle und Zeichnungen' in Düsseldorf ontbreekt de beroemdste aquarel van de Russische kunstenaar Wassili Kandinsky (1866-1944). Deze zogenaamde Eerste abstracte aquarel is dan ook een omstreden werk. Kandinsky dateerde het op 1910, wat hem extra punten opleverde in de wedstrijd om de titel "Eerste Abstracte Kunstenaar'. Maar hoogstwaarschijnlijk speelde hij vals en heeft hij het geantedateerd. Op de tentoonstelling kan dat goed worden vastgesteld. De vroegste aquarellen die daar hangen zijn in 1910 gemaakt. Ze zijn nog ver verwijderd van volledige abstractie en zitten nog vol half-figuratieve paarden, bergen, roeiboten, kerkjes, bomen en mensen.

Noch op de tentoonstelling noch in de catalogus wordt de kwestie van de Eerste abstracte aquarel zelfs maar aangestipt. Misschien beschouwden de organisatoren het als een te kleine smet op een verder indrukwekkend oeuvre om te worden genoemd. En het is waar: indrukwekkend is Kandinsky's werk ook in Düsseldorf weer. De bijna tweehonderd aquarellen en tekeningen, voor een groot deel afkomstig uit particuliere collecties en niet eerder tentoongesteld, laten weer eens zien hoe geleidelijk en volkomen vanzelfsprekend Kandinsky's weg naar de abstracte kunst was.

Al maakte Kandinsky zijn eerste volledig non-figuratieve aquarel dan niet in 1910, hij theoretiseerde in datzelfde jaar al wel over de mogelijkheid van abstracte schilderkunst in Über das Geistige in der Kunst. Kandinsky voorspelt in dit zweverige, door theosofie beïnvloede boek dat het tijdperk van het "materiële' ten einde loopt en dat zich in de nabije toekomst een beslissende wending zal voordoen ten gunste van het "geestelijke'. Volgens hem voelen kunstenaars, de profeten van de moderne tijd, deze wending beter aan dan gewone stervelingen. De "geest' openbaart zich dan ook het eerst en het best in de schilderkunst, maar dan wel in vormen en lijnen die niet worden gebruikt om iets af te beelden. Figuratie leidt alleen maar af en staat tussen de zich openbarende "geest' en de kijker in. Pas als de vormen en kleuren de hoofdrol spelen en zelf "dingen' zijn geworden, is de "klank' van de "geest' in een schilderij "hoorbaar'.

Geometrie

De theorie ging vooraf aan de praktijk en het zou nog tot 1913 duren voor alle figuratieve elementen waren verdwenen en er alleen nog een wervelende melée van kleuren en vormen was overgebleven. De eerste abstracte werken ogen chaotisch en spontaan, maar zijn het niet, zoals op de tentoonstelling in Düsseldorf is te zien. Veel aquarellen uit de jaren 1910-1914 zijn zorgvuldig uitgewerkte studies voor olieverfschilderijen en eigenlijk net zo ordelijk als die uit de jaren twintig, toen Kandinsky doceerde aan het Bauhaus.

In Kandinsky's Bauhausaquarellen heersen de met passer en lineaal getekende cirkels, driehoeken en vierhoeken en wordt de orde slechts af en toe onderbroken door zwierige lijnen en onduidelijke vlekken. Kandinsky maakt in deze jaren meer gebruik van de mogelijkheden die het aquarelleren biedt dan in eerder werk: de transparente kleuren lopen in elkaar over en in de tweede helft van de jaren twintig werkt hij zelfs met verstuivers en sjablonen.

Het is verleidelijk om Kandinsky's overgang van spontaan ogende chaos naar koele geometrie in verband te brengen met het Russische constructivisme dat onder zijn ogen ontstond toen hij van 1914 tot 1922 weer in Moskou woonde. (Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog moest Kandinsky, als Rus, na een 18-jarig verblijf in Duitsland terugkeren naar zijn geboorteland). Zelf ontkende Kandinsky altijd dat Russische constructivisten als Rodtsjenko, Stepanova en Popova hem hadden beïnvloed. Inderdaad had hij weinig reden om iets van hen over te nemen: de historisch-materialistische constructivisten moesten niets hebben van Kandinsky's zweverige, theosofische kunstopvattingen en ze slaagden erin hem weg te werken als leider van het Instituut voor Kunstzinnige Cultuur (INChOeK), een belangrijke reden voor Kandinsky om zich in 1922 toch maar weer in Duitsland te vestigen.

Een ander argument tegen de invloed van de Russische constructivisten is dat Kandinsky zich al in Über das Geistige in der Kunst bezighield met de effecten van geometrische vormen en kleuren op de waarnemer. Al voor het constructivisme bestond ging hij na welke kleuren het best pasten bij welke vormen en wat voor effecten ze hadden. “Wat lijkt op het gezang van een kanarie .... een driehoek of een cirkel?” vroeg Kandinsky zich af. “Welke geometrische vorm komt overeen met talent, met goed weer? Geeft een driehoek dezelfde gewaarwording als een citroen?” De antwoorden op deze vragen moesten leiden tot een schilderkunstige harmonieleer van vormen en kleuren. Maar hoe goed die ook zou zijn, schilderkunst was toch niet iets dat uit een boek was te leren, vond Kandinsky. Uiteindelijk kwam het op intuïtie aan: “Kunst is aan kosmische wetten onderworpen die door de intuïtie van de kunstenaar worden ontdekt”, schreef hij. Analyse en intuïtie - het is een van de vreemde tegenstrijdigheden in Kandinsky's opvattingen.

Natuur

Ook in zijn werk uit de jaren in Parijs, waar Kandinsky zich na de sluiting van het Bauhaus door de nazi's in 1933 vestigde, komt een vreemde tegenstelling voor. In Parijs was hij er nog steeds vast van overtuigd dat de "bevrijding van de figuratie' de belangrijkste kwestie in de schilderkunst was, maar steeds vaker doemden in zijn werken grillig gevormde figuurtjes op die sprekend leken op amoeben en ongewervelde zeedieren. Armin Zweite geeft er in de catalogus een verklaring voor. De wending naar het geestelijke was uitgebleven, schrijft Zweite, en dus moest Kandinsky zijn opvattingen bijstellen. In de jaren dertig zag hij de natuur niet langer als ordinaire materie en als vijand van de "Geist', maar als uitdrukking van dezelfde kosmische wetten waaraan de kunst was onderworpen. En dus vond Kandinsky het niet erg als natuurvormen zijn werk binnenslopen: "Ik laat ze rustig staan en wil ze niet weghalen'.

Abstract of niet, de Parijse periode is op de tentoonstelling in Düsseldorf het meest overtuigend. Vooral de serie aquarellen met zwarte achtergrond, waartegen de gekleurde vormpjes en lijnen tintelend oplichten, laten zien dat Kandinsky zijn hoogtepunt tegen het einde van zijn leven bereikte. Het is alsof in deze werken de tegenstellingen zijn verzoend, niet alleen die tussen abstract en figuratief, maar ook die tussen zijn vroege, "spontane' periode en zijn "koude, rationele' Bauhaustijd.