Troost voor Klaartje

De rolstaartbeer, het boomkonijn,

Het wildebeest, de hermelijn,

De haägendazs, de hagedis,

De vis die onder water is,

De albatros, de möwenpick,

De koene klipgeit met zijn sik;

Het witkopschaap, de langstaartpoes,

De blindenhond, de schapendoes,

De kip, het capucijneraapje,

De boa en het zwarte schaapje,

Het cavium, het vaderpaard,

Gevlekt of effen naar hun aard,

De donderpad, de wijngaardslak,

De pinguïn in zijn kellnerspak;

De pampahaas, de dove kwartel,

Het ooilam, altijd blij en dartel,

De brilslang en de sidderaal,

De gnoe, de Gangesgaviaal,

De kinkajoe, de babiroesa,

Die zo afkerig is van soesah;

De klapperaap, de toekang males

De nevelpanter, alles, alles,

En bovenal het wrattenzwijn,

Wilde steeds bij Klaartje zijn.

't Werd op haar kamer wel wat druk,

Maar Klara straalde van geluk.

Wat kan toch de zin van deze activiteit zijn? Hierbij valt immers de rest van het gelaat buiten het gezichtsveld en het oog zelf is zoals wij gezien hebben vrijwel niet in staat tot enige expressie. Er komt bij dat er van scherp zien als gevolg van de geringe afstand en de reeds genoemde mydriasis geen sprake kan zijn. Hoe dan te verklaren dat deze activiteit zeer lang kan worden voortgezet zonder dat de betrokkenen er genoeg van krijgen en dat zij werkelijk de illusie koesteren zich te spiegelen in elkaars ziel?