Sterling in hoofdrol

In de afgelopen week werd de hoofdrol op de valutamarkten opgeëist door het Britse Pond. Nadat sterling wekenlang onder druk stond omdat opiniepeilingen wezen op verlies voor de Conservatieven, bleek de partij van Major vorige week vrijdag als overwinnaar uit de bus te komen. Weg devaluatievrees!

Sinds de verkiezingsdag, 9 april, is het pond, maar liefst 7 cent gestegen. Na het bekend worden van de uitslag begonnen de speculaties over een renteverlaging, maar het ligt meer voor de hand, dat hiermee wordt gewacht todat sterling binnen de (voor haar nog niet geldende) smalle bandbreedte van het EMS komt. Deze afwachtende houding maakt de kans dat dit ook zal gebeuren groter, omdat het renteverschil met Duitsland aantrekkelijk blijft en verwacht wordt dat de Britse economie over niet al te lange tijd uit de recessie zal komen. In de tweede helft van het jaar zullen de Britten voorzitter van de EG zijn en dat zou een mooie gelegenheid zijn om formeel tot de smalle bandbreedte over te gaan.

Ook de Italianen zijn naar de stembus gegaan. Wat men ook mag denken van Italië, de opiniepeilingen zijn tenminste betrouwbaar. Conform verwachting kreeg het politieke "establishment' een pak rammel. De Italiaanse centrale bank moest de lire te hulp schieten met interventies. Vooralsnog lijkt de schade beperkt, maar het zal van het programma en - vooral - de daadkracht van de nieuw te vormen regering afhangen of de lire uit de problemen blijft. De verwachtingen zijn voorlopig niet hoog gespannen.

De Portugezen hebben hun EG-voorzitterschap aangegrepen om de escudo (vanaf 6 april) in het EMS te brengen. Net als de peseta en sterling, heeft de Portugese munt een brede fluctuatiemarge van 6 procent gekregen. De relatief hoge Portugese rente stuwde de escudo in de eerste dagen na toetreding omhoog, waardoor de centrale bank de rente wat moest verlagen om het pond - dat toen nog wat onder druk stond - niet verder in de problemen te brengen.

Het herstel van de Amerikaanse economie verloopt nog steeds zeer traag. Weliswaar geloven de meeste waarnemers dat het herstel gaande is, maar dit komt nog niet echt in de dollar tot uitdrukking. De stijging van de dollar in de afgelopen dagen is dan ook veelal toe te schrijven aan ontwikkelingen buiten de VS. De Fed verlaagde vorige week vrij onverwacht de daggeldrente (met 0,25 procentpunt tot 3,75 procent), maar deed dit ook met het oog op de voortdurende koersval op de aandelenbeurs van Tokio, die uitstralingseffecten op Wall Street dreigde te krijgen. De dollar leed er weinig onder, mede omdat het disconto ongewijzigd bleef.

De slechte aandelenbeurs in Tokio had vorige week overigens tot gevolg dat de yen wat sterker werd tegenover de dollar. De markten hingen de redenering aan dat de verzwakte solvabiliteitspositie van het Japanse bankwezen als gevolg van de lage aandelenkoersen, ertoe zou leiden dat de Japanse verzekeraars diezelfde banken te hulp zouden komen met achtergestelde leningen. Daartoe zouden die verzekeraars dan wel hun (dollar)beleggingen van de hand moeten doen, hetgeen een opwaarts effect op de yen zou hebben. Onduidelijk blijft, in hoeverre dit ook werkelijk heeft plaatsgevonden. In de afgelopen dagen ging de yen weer terug ten opzichte van de dollar.

Steun voor de dollar ten koste van de Duitse mark kwam door oplopende politiekespanningen in Rusland, waar Jeltsin c.s. in eerste instantie op de wip zaten, maar uiteindelijk toch mochten blijven. Ook somberder vooruitzichten voor de Duitse economie en de dreiging van stakingen door ambtenaren drukken op de mark.

Bron: Rabobank Nederland/Directoraat Financiële Markten