Soms heb ik zin om mijn vrouw op te eten; Sprookjesachtige impressies van Rogi Wieg

Rogi Wieg: Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken. Uitgeverij G.A. Van Oorschot. 142 blz. Prijs: ƒ 27,50.

Rogi Wieg geldt als een volbloed romanticus. Vooral in zijn gedichten wordt veel en met smart teruggekeken. De stemming is gematigd treurig, de toon melancholiek. Met zijn wat bezadigde temperament is hij een eenling onder de schrijvers van zijn generatie. Zelf meent hij dat deze uitzonderingspositie nadelig is voor de verkoop van zijn boeken. Na de verschijning van zijn novelle Beminde onrust (1989) verzuchtte hij in een vraaggesprek in HP/De Tijd dat hij wat meer in de mode zou willen zijn, een ”produkt' dat goed te exploiteren valt. “Ik zou wel het image willen hebben van een scherpe, mooie, sensitieve jongeman in bezit van eigen huis”, zei hij openhartig. Ook maakte hij gewag van zijn ”ontwapenende jongensachtigheid'.

Kennelijk was hij niet helemaal tevreden met het beeld dat hij in zijn werk had opgebouwd van een tobberige zelfbeschouwer. ”Ik ben zo Godvergeten oud', heette het in zijn tweede bundel De zee heeft geen manieren (1987) en ook in Roze brieven (1989) had hij het over ”mijn oude ik', dat bovendien niet eens goed genoeg zou zijn ”om voor dood te gaan'.

Op het eerste gezicht lijkt er in zijn nieuwe verhalenbundel Sinds gisteren zijn er twee dagen verstreken niet veel veranderd te zijn. Ook nu overheerst een wat herfstig temperament, dat meer op het verleden dan op de toekomst is gericht, en ook nu valt op hoe weinig vlot zijn stijl is. Wieg formuleert niet zozeer bedachtzaam alswel denkerig en omslachtig. Dat levert zulke stroeve zinnen op als: ”Hij zei me dat hij vond dat ik een helder verstand had' of ”Het zal de laatste keer zijn dat Eva inslaapt, want vannacht zal ze sterven doordat haar hart tot stilstand komt.' Er is iets uitgesproken slooms in zijn manier van schrijven. Hij heeft een neiging tot bijbelse taal die wel eens een onbedoeld komische uitwerking heeft. Als een vrouw dorst heeft, dan schrijft hij: ”En er was een grote droogte in haar mond'. Een vader die verbaasd zijn zoon gadeslaat, denkt: “Dit is iets geheel nieuws voor mij en mijn hart slaat heel heftig.”

Toch is zijn nieuwe boek veel minder bedrukt dan we van Rogi Wieg gewend zijn. Niet voor niets besluit hij met een verhaal dat triomfantelijk ”Een gelukkig mens' heet. Daarin ziet een joodse jongeman ervan af om zijn eveneens joodse vriendin na te reizen naar ”het Beloofde Land'. Hij kiest voor een ”noordelijke' vrouw, die niet gebukt gaat onder een collectief verleden en die het hem gemakkelijker maakt zijn eigen gedachten te hebben. “Het is de schuld van de wereld dat hij zich thuisvoelt in Het Gekregen Land. Dus hij blijft hier en bindt zich aan een blonde vrouw.” Deze man, Rogi Wiegs alter ego vermoedelijk, ontdoet zich van al te knellende banden die met een smartelijk verleden samenhangen.

Alle 23 verhalen gaan over meer of minder knellende menselijke verhoudingen waaraan men zich al of juist niet probeert te onttrekken. Allesoverheersend is de angst voor eenzaamheid en leegte. Wat deze bundel onderscheidt van Wiegs eerdere werk is vooral het perspectief, dat iets ruimer is geworden. Het draait deze keer niet om één jongeman die als twee druppels water op Rogi Wieg lijkt, maar om verschillende mannen, vrouwen en kinderen, al treedt er in elk verhaal op de achter- of voorgrond wel een Wieg-achtige figuur op.

Hij heeft zijn best gedaan om zijn verhalen een soort algemene geldigheid te verlenen. De figuren zijn naamloos, hun daden van ondergeschikt belang en hun gedachten vervuld van nauwelijks benoembare emoties. Echte verhalen zou ik deze korte, naar het sprookje neigende impressies, nauwelijks durven te noemen. Er valt in Sinds gisteren zijn er twee dagen verstreken meer sfeer te proeven dan inhoud na te vertellen, er is meer vage omlijning dan kern of ontknoping. De kracht van dit proza schuilt niet in de verhalen zelf, maar in verrassende wendingen en laconieke passages. Wieg verstaat de kunst om snel over te schakelen van zeer algemeen naar bijzonder concreet. Van de universele liefde is het bij hem maar een kleine stap naar de liefde voor die ene vrouw. “Laten we zeggen dat ik mijn vrouw op zou kunnen eten. Soms heb ik de neiging om zomaar een hap uit haar hoofd te nemen.”

Het aardige van de bundel is vooral dat Wieg zich veel experimenten toestaat met de vorm. Anders dan in zijn novelle gaat het veel minder om het uitspitten van tobberige gemoedstoestanden dan om het spel met taal en werkelijkheid. Het (na)vertellen van waargebeurde episodes wordt nadrukkelijk gepresenteerd als een mogelijkheid om te ontkomen aan de zwaarte van het leven. Al formulerend zoekt men zich een uitweg uit de beklemmende werkelijkheid. De wat cryptische titel van de bundel verwijst naar de mogelijkheid die de creatieve mens heeft om zich te verdubbelen. Wie iets hoort of meemaakt en daarvan naar eigen smaak en goeddunken een beschrijving geeft, beleeft alles als het ware twee keer, zodat er tussen gisteren en vandaag twee dagen kunnen verstrijken. “Vertel me iets en ik giet het in een vorm”, zegt de schrijver die in verschillende verhalen een dubbelrol vervult als personage en woordvoerder. “Ik maak er een kop aan en een staart, ik vergroot het, ik sleutel eraan als een monteur aan een motor.”

Deze schrijver is een ware herschepper. Zelfs God ontkomt niet aan zijn scheppingsdrang. Hij wordt er als een loopjongen op uit gestuurd om een verhaalfiguur een boodschap in te fluisteren. Helaas worden Zijn woorden verkeerd begrepen. Maar Hij krijgt niet de kans om de fout te herstellen. “Degene die dit verhaal verzon vond dat God te moe was om nog een keer te spreken. Hij lag op Zijn bed en hield zich heel stil.”