Roem, geld

We staan er niet meer bij stil, maar 't is een geweldige prestatie. Vroeger had ik bij mijn trein een AKO-mannetje, drie centimeter hoog. Hij had een AKO-petje en duwde een AKO-karretje met krantjes waarin het laatste nieuws van en over de anderen stond. Zo leerde je spelenderwijs de mensen sociaal te plaatsen. AKO was voor mij iets respectabels onderaan de maatschappelijke ladder. De AKO-vrouwen en mannen van nu horen tot de culturele voorhoede, zijn de beste letterkundigen, leider van het liberale of progressieve volksdeel, president van de Nederlandse Bank, en het gesprek van het hele voorjaar. AKO is zèlf de nieuwsmaker geworden. Wiens naam met AKO in verband wordt gebracht, deelt mee in een bijzonder prestige met een zorgvuldig geregisseerde nationale rompslomp waarvoor bijna iedereen gevoelig is.

Bijna iedereen. Deze week was ik toevallig bij de uitreiking van de GeertJan Lubberhuizen-prijs. De winnaar, de heer Philip Markus (pseudoniem) moest van deze rompslomp der ijdelen niets hebben. Voor wie niet tot zijn naaste familieleden of vrienden hoorde was het tot op het laatste ogenblik onzeker of hij er wel was. Hij was er, nam bliksemsnel de prijs in ontvangst en zocht een goed heenkomen, ongeveer zoals je dat op de televisie Kroatische burgers bij een beschieting ziet doen. In zijn haast had hij alleen de oorkonde en niet de belangrijke envelop meegenomen. (Ik hoorde trouwens dat hij later nog is teruggekomen.)

Waarschijnlijk ook al door de AKO was ik zo geconditioneerd op een door publiciteitstrucs gestimuleerde prestigelust dat ik het eerst niet kon geloven. De publieke antipubliciteit als het toppunt van publiciteit, dacht ik. Slim! En nieuw! Maar mensen die de heer Markus goed kennen, verzekerden me dat hij er werkelijk geen zin in had en ook "nooit een interview zal geven'. De Lubberhuizenprijs is voor het beste debuut van het jaar en dat kan dus nog veranderen. Maar, wie weet is hier de laatste authentieke Onbekende Nederlander bekroond.

Ik vertelde het verhaal aan een vertrouwde raadgever. Die stond ook even paf, keek nadenkend voor zich uit en zei toen: "Die AKO-prijs kan trouwens veel beter'. Dat leek me overdreven maar ik wilde het graag weten.

Welnu, zei hij. Je moet een voorbeeld nemen aan het Eurovisie Songfestival. Je hebt de "short list' waarop tien namen staan. Er zijn ook tien juryleden die ieder honderd punten in voorraad hebben. Een belangrijk persoon uit het Nederlandse openbare leven roept de eerste naam van de "short list' die we hierna de toplijst noemen. Dat preludeert al op de toptien. Daarna begint het eerste jurylid zijn punten over de namen op deze toplijst te verspeiden met een kleine toelichting bij iedere beloning. Dat gaat zo verder tot de laatste naam van de toplijst is afgehandeld. Inmiddels heeft een andere vooraanstaande Nederlander op een schoolbord de "stand' bijgehouden. Zoals we van het Eurovisie Songfestival weten kan een naam die in het begin geen kans leek te hebben, plotseling opkomen en ten slotte het hele veld achter zich laten, zoals een outsider in de Derby. En natuurlijk is er van het begin tot einde de televisie bij.

Ik vond het een goed idee. Waarom was de AKO daar zelf niet opgekomen?

Het heeft nog meer voordelen, verklaarde mijn raadgever. Ten eerste wordt op zo'n manier de procedure van de bekroning in deze belangrijke eindfase openbaar. Dat zal de geruchten over opzetjes en kongsi's definitief de kop indrukken. En ten tweede is het rechtvaardiger. Zoals het nu gaat, wordt bij het voorlezen van de motivering als het ware een konijn uit een hoge hoed getrokken, dan is het opeens een dringen om de winnaar nog drie zoenen te geven vóór de televisie ermee ophoudt. Het feest barst los en door dat alles zijn de andere kandidaten, een paar minuten tevoren nog vervuld van hoop, plotseling in de diepste anonimiteit weggezakt. Dat is onrechtvaardig en het is ook in strijd met onze humanitaire beginselen.

Voor ieder boek, ging hij voort, valt altijd wel iets te zeggen, zeker als de juryleden die per definitie niet de eersten de besten zijn, het op hun toplijst hebben gezet. Dat moet tot uitdrukking komen. In mijn systeem krijgt ieder boek tien korte recensies. Het publiek krijgt dus op een spannend avondje menselijke televisie (veel inzoomen op de gezichten van juryleden, kandidaten, enz.) spelenderwijs honderd recensies cadeau. De meesten halen dat anders nog niet eens in een jaar! Zo, denk ik, zullen we een avondje culturele televisie in optima forma kunnen beleven, en het aantal malen dat daarbij het woord AKO zal vallen: dat valt niet meer bij te turven. In mijn plan, besloot hij, zijn er geen verliezers.

Ik wilde het graag wereldkundig maken en vroeg hem zijn toestemming. Je mag, zei hij, als je mijn naam er maar niet bij zet. Om het zo neutraal mogelijk te houden noem ik deze vernieuwde AKO daarom het Model Jansen.