Op zee is alles mogelijk; Charles Johnson over goed en kwaad, dom en slim, zwart en blank

Het bloedstollende verhaal van de geletterde kruimeldief en ex-slaaf Rutherford Calhoun is een scheepsverslag met filosofische terzijdes. Charles Johnson won er als derde zwarte Amerikaan de National Book Award mee. "Politically correct' is de held uit Slavenroute niet; maar, zegt Johnson, waarom zouden Afrikaans-Amerikaanse boeken altijd over moreel hoogstaande slachtoffers moeten gaan?

Slavenroute (Middle Passage). Vert. Gerard Verbart. Uitg. Arena, 224 blz. Prijs f39,50 (Penguin/Plume editie ƒ 20,95).

Faith en het verhaal van de Moerasvrouw (Faith and the Good Thing). Vert. Marijke Emeis. Uitg. In de Knipscheer, 252 blz. Prijs 15,- (Penguin/Plume editie ƒ 20,85).

Charles Johnson is een ambitieus schrijver. Zijn doel, zegt hij, is de Totale Literatuur, fictie die zoveel mogelijk van de menselijke ervaring laat zien. “Grote kunst moet zich bezighouden met metafysische, ontologische en filosofische vragen... maar tegelijkertijd met de meest vulgaire dingen - vieze praatjes, obscene grappen, goedkoop sentiment en X-rated horror.”

Charles Johnson noemt zichzelf een Afrikaans-Amerikaanse auteur, maar hij weigert te doen wat het Amerikaanse publiek van hem verwacht: optreden als de spreekbuis van zwart Amerika en protestromans schrijven over de onderdrukking van nobele zwarten in een vijandige witte wereld. “Die tijd ligt achter ons; de Afrikaans-Amerikaanse literatuur is een nieuw tijdperk ingegaan. Vanaf de vorige eeuw is de literatuur van zwarte Amerikanen vaak een reactie geweest op de blanke maatschappij; discriminatie was het overheersende thema, en dat was heel begrijpelijk. Maar het kon ook anders: Jean Toomer - een van de kopstukken van de "Harlem Renaissance' uit de jaren dertig - en Ralph Waldo Ellison hebben boeken geschreven die weliswaar verankerd liggen in de praktijk van de onderdrukking, maar die zo universeel zijn dat ze ieder mens raken.

“Zwarte schrijvers moeten zich niet beperken tot de protestroman, hoe graag literaire critici of Afrikaans-Amerikaanse nationalisten dat ook zouden zien. Het leven van een zwarte Amerikaan wordt per slot van rekening ook niet van minuut tot minuut bepaald door racisme. Niemand wordt 's morgens wakker en denkt: "Ik ben zwart, ik word onderdrukt'. Je denkt "wat heb ik in huis voor het ontbijt?'. Er wordt heel wat afgefilosofeerd over de "Black Experience'; maar we zijn op het punt aangekomen dat zwarten zich, net als alle andere Amerikanen, in de eerste plaats afvragen wat het betekent om Amerikaan te zijn. De Black Experience loopt parallel met de ervaring van de rest van de mensheid; onderdrukking en verzet spelen er ontegenzeglijk een rol in. Maar er zijn miljoenen andere verhalen te vertellen.”

Een van die verhalen is Middle Passage (1990), de roman die Charles Johnson in Amerika de gezaghebbende National Book Award opleverde en in Nederland een televisiegesprek met Adriaan van Dis. Slavenroute, zoals Middle Passage in de Nederlandse vertaling heet, is inderdaad een veelomvattend en origineel boek. Het bloedstollende verhaal van Rutherford Calhoun, ex-slaaf aan boord van een slavenhaler, is een scheepsverslag met filosofische terzijdes, een historische roman vol anachronismen, en een parodie op het negentiende-eeuwse avonturenverhaal. Het is spannend, goed geschreven en humoristisch, maar onderscheidt zich vóór alles door de opvallende ik-figuur: een geletterde kruimeldief die zijn verantwoordelijkheden aan wal ontvlucht en als verstekeling op een varend gekkenhuis met liegen en bedriegen in leven blijft. "Politically correct' kun je de zwarte held uit Slavenroute niet noemen; maar, stelt Charles Johnson, waarom zouden Afrikaans-Amerikaanse boeken altijd over moreel hoogstaande slachtoffers gaan?

Kruimels

"A survivor, not a victim' noemt de snelsprekende Charles Johnson (43) zijn picareske hoofdpersoon. Zelf rekent hij zich tot geen van beide categorieën. “Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Evanston, een welvarend stadje net boven Chicago. Mijn vader en moeder komen uit South-Carolina en Georgia, maar waren al voor de oorlog naar Illinois geëmigreerd. Mijn vader, een nachtwaker, vestigde zich in Evanston omdat daar voor zwarten de kruimels van de tafel wat groter uitvielen dan in Chicago. Ik heb geluk gehad. Mijn middelbare school was niet alleen gentegreerd, maar door de schoolgelden van rijke blanke ouders ook nog eens erg goed. Zonder problemen kon ik doorstromen naar de universiteit - als eerste van mijn familie.

Zijn de jaren zestig, de protestmarsen en de rassenrellen, aan u voorbijgegaan?

“Mijn engagement heb ik altijd uitgeleefd in de kunst. Ik was te jong voor de Burgerrechtenbeweging, en de grote demonstraties speelden zich vooral af in de zuidelijke staten. Maar op Southern Illinois University kon je om de politiek niet heen. Ik studeerde journalistiek en filosofie en tekende politieke cartoons in mijn vrije tijd. Hoogtepunt van mijn jaren zestig was een lezing die de dichter-activist LeRoi Jones (hij noemde zich toen al Amiri Baraka) op de campus hield. "Zwarte kunstenaars moeten hun talent inzetten voor de zwarte gemeenschap', zei hij. Ik was diep onder de indruk, en stortte me met dubbele ijver op de zwarte spotprent. Een bundeling van die tekeningen, Black Humor, werd in 1970 mijn eerste boek.”

Wat maakte van de politieke tekenaar een romanschrijver?

“Het is niet zo dat ik met schrijven begon toen ik met tekenen ophield; ik heb het lang naast elkaar gedaan. Ik ben opgegroeid in een huis vol boeken; je kon het zo gek niet bedenken of het stond in de kast: Native Son en Moby-Dick naast boeken over bloemschikken en binnenhuisarchitectuur. Mijn moeder stimuleerde me om te gaan tekenen en schrijven; het ging me allebei gemakkelijk af. Mijn eerste boeken schreef ik op de universiteit. Zes in een jaar, onder het motto: je kunt een college in tien weken afronden, waarom een roman dan niet? Die snelheid deed het literaire gehalte natuurlijk geen goed; en eerlijk gezegd imiteerde ik schaamteloos de schrijvers die ik bewonderde: Wright, Ellison, Baldwin...

“Het was John Gardner die er in slaagde om me af te remmen. Hij gaf Engels aan onze universiteit, maar ik kende hem in de eerste plaats als schrijver. Toen ik hem ontmoette, maakte hij net naam met Grendel, een boek waarin het Beowulf-epos uit het gezichtspunt van het monster wordt verteld. Gardner werd mijn literaire mentor; onder zijn hoede schreef ik mijn eerste echte roman, Faith and the Good Thing. Het verscheen in 1974, en hoewel het commercieel geen succes was, heb ik er veel aan te danken. De goede recensies van Faith bezorgden mij meteen een aanstelling aan de universiteit van Washington in Seattle - als docent creative writing.”

Spookachtig

Sinds 1975 is Charles Johnson niet meer van baan veranderd; en hij is doorgegaan met schrijven. Na Faith and the Good Thing, een gruwelijk en spookachtig sprookje over een zwarte vrouw op zoek naar de zin van het leven, publiceerde hij twee romans, een studie van de zwarte Amerikaanse literatuur na 1970, en een verhalenbundel. Zijn tweede roman, Oxherding Tale (1982), werd aanvankelijk geweigerd door twintig uitgevers. Maar het acht jaar later verschenen Middle Passage behaalde de hoogste waardering: het was na Invisible Man van Ellison en The Color Purple van Alice Walker het derde boek van een zwarte schrijver dat met de National Book Award bekroond werd. Een grote eer, vindt Johnson; niet omdat hij zo'n fan is van Walker ("Alice heeft van de Black Experience een carrière gemaakt'), maar omdat hij nu in de voetsporen treedt van de door hem bewonderde Ellison.

“Ellison hoort tot de grootste schrijvers van na de oorlog. Zijn Invisible Man uit 1952 is het hoogtepunt van de Afrikaans-Amerikaanse literatuur: intelligent, ambitieus, geëngageerd en surrealistisch. Ik ken geen boek dat zo veel verschillende literaire stijlen zo succesvol met elkaar weet te vermengen - een verbazingwekkende prestatie. Het is tragisch hoe het Ellison vergaan is: hij werd verketterd door culturele nationalisten die vonden dat hij zich niet genoeg inzette voor de zwarte zaak, en hij slaagde er maar niet in om onder de schaduw van zijn debuut uit te komen. Ellison heeft zichzelf nooit toegestaan om te falen; hij is geen Saul Bellow, die boek na boek schrijft, en eens in de zoveel tijd verrast met een meesterwerk. Misschien heeft Ellison het idee dat hij alles al gezegd heeft in dat ene boek. Hoe dan ook: veertig jaar na Invisible Man wachten we nog steeds op zijn tweede roman.”

Wat onderscheidt Ellison van andere belangrijke zwarte schrijvers als Richard Wright en James Baldwin?

“Ellison is een zeldzaam fenomeen in de twintigste-eeuwse Amerikaanse literatuur: een schrijver die er niet voor terugschrikt om in zijn boeken filosofische kwesties aan te roeren. In Frankrijk en Duitsland is dat niets bijzonders, maar Amerikanen staan niet bepaald bekend om hun intellectuele engagement. Er worden in de Verenigde Staten nog maar heel weinig filosofische romans geschreven. John Gardner deed het, Robert Pirsig, en William Gass, maar dat is eerder een filosofieleraar die toevallig boeken schrijft. Voor de echte filosofische roman moeten we terug naar de negentiende eeuw, naar Melville, Hawthorne en Poe. Toen was de scheiding tussen filosoof en schrijver nog niet zo scherp, zij het dat Melville ook meer gewaardeerd werd om zijn reisboeken dan om Moby-Dick. Voor mij zijn schrijven en denken verwante disciplines, maar in Amerika heerst het anti-intellectualisme. Daarom heb ik ook zo'n bewondering voor iemand als Ellison, die tegen de stroom oproeide en de filosofie introduceerde in de Afrikaans-Amerikaanse fictie.”

Is dat wat u schrijft, Afrikaans-Amerikaanse filosofische literatuur?

“That's a hell of a claim to make! Laat ik bescheiden zijn en zeggen dat ik het probeer; filosofie is altijd mijn passie geweest, en in mijn boeken speelt het een belangrijke rol. Faith and the Good Thing was een bespiegeling over het Goede in een zwarte Amerikaanse context; een existentialistische roman over vrijheid en gebondenheid. The Sorcerer's Apprentice was een bundel verhalen over het wezen van de taal en de macht van het woord. En met Oxherding Tale ben ik vijf jaar bezig geweest omdat ik per se een filosofische roman wilde schrijven in het genre van het negentiende-eeuwse slave narrative.”

Heeft u Middle Passage ook bedoeld als een filosofisch slavernijverhaal?

Niet bekend

“Middle Passage is geen slavernijverhaal pur sang, aangezien Rutherford Calhoun aan het begin van het boek formeel een vrijgelatene is. Toch zou je kunnen zeggen dat hij op een ander niveau de weg naar de vrijheid nog moet afleggen. Als hij als verstekeling aan boord van de Republic gaat, is hij een schurk zonder scrupules, een man zonder verantwoordelijkheidsgevoel die wegvlucht voor de vrouw die hem liefheeft. Een typische Amerikaanse held, kortom, een Huck Finn op zee. In gedachten zag ik Rutherford als een zwarte versie van Ismael uit Moby-Dick; hij is een minder zwaarmoedige figuur, maar wil ook ontsnappen aan de beperkingen van Amerika, en wordt uiteindelijk een wijzer man door zijn reis over de "Sea of Suffering'.

Liefdesromannetje

“Middle Passage is in veel opzichten een negentiende-eeuws boek, maar het is bedoeld voor twintigste-eeuwse lezers. Het is geen historische roman, maar een filosofische roman met wat geschiedenis er in - set in the past, but being about who we are today. Wie Middle Passage in een hokje wil duwen, komt in de problemen. Het boek begint als een schelmenroman, met Rutherford als een picaro in New Orleans, ontwikkelt zich tot een epos, over de omzwervingen van de Republic, en eindigt als een liefdesromannetje, wanneer Rutherford en Isadora als door een wonder met elkaar verenigd worden.”

Sommige critici lezen Middle Passage als een allegorie. Zijn de wantoestanden aan boord van de Republic symbolisch voor de problemen in Amerika?

“Ik kan niet ontkennen dat ik de wrakke schuit van kapitein Falcon een veelbetekenende naam heb willen geven. Maar het voert te ver om in de Republic zomaar de republiek te zien. Natuurlijk, de Verenigde Staten maken een moeilijke tijd door; we bevinden ons in een periode van "integration shock'. De hekken tussen de verschillende bevolkingsgroepen zijn officieel weggehaald, en we moeten nu door schade en schande uitvinden wie er aan de andere kant zijn. In dat opzicht zijn we in dezelfde situatie als Rutherford Calhoun, maar het leven in Amerika is gelukkig niet zo hopeloos als tussen de zuiplappen en de verdorvenen van de Republic.”

Het leven op zee wordt in Middle Passage zeer overtuigend beschreven. Toch lijkt u mij niet het stoere-zeebonktype.

“Voor de grote vaart ben ik niet geboren, dat heeft u goed gezien. Gisteren heb ik een rondvaart door de Amsterdamse grachten gemaakt, dat zal de vijfde keer zijn geweest dat ik in een boot stapte. Gelukkig zijn er bibliotheken. Voor Middle Passage heb ik zes jaar lang het zeeleven bestudeerd. Ik heb alles van Melville gelezen, alles van Conrad; ik heb gekeken naar Homerus, naar Apollonius van Rhodos en naar de Sindbad-verhalen uit Duizend en een nacht. Ik heb zelfs hele encyclopedieën doorgewerkt; scheepswoordenboeken, onderzoeken naar Cockney slang en handleidingen voor de scheepsbouw. Het verhaal van Rutherford Calhoun moest en zou zich afspelen op een schip. De zee is het mooiste decor dat een schrijver zich kan wensen; het is een rijk waarin alles mogelijk is, een leegte waarin personages pas echt gaan leven. De zee gaf me de mogelijkheid om de drie conflicten uit te werken waar docenten creative writing het altijd over hebben: de mens tegen zichzelf, de mens tegen andere mensen, en de mens tegen de natuur.”

Is er eigenlijk nog wel stof voor een nieuw boek?

“Natuurlijk. Mijn volgende roman, Dreamer, gaat over de body doubles van Martin Luther King - een interessant fenomeen. Het verhaal wil dat King dubbelgangers had die zijn taken overnamen wanneer hij op een openbare bijeenkomst verhinderd was of voor zijn leven vreesde. In Dreamer verdiep ik me in zo'n dubbelganger; ik beschrijf hoe het hem vergaat na de dood van King. Een onderwerp als dit biedt onverkende mogelijkheden.

“De hoop is dat iedere nieuwe roman meer terrein bestrijkt dan de vorige, dat je dingen doet die je nooit eerder gedaan hebt. Een boek moet je schrijven alsof het het laatste is dat je doet; alsof er iemand achter je staat die je na de slotzin een kogel door het hoofd schiet. Het doel van iedere schrijver is om de menselijke ervaring telkens dichter te naderen. Maar zo'n ideaal is net als de Amerikaanse Droom: altijd wijkend aan de einder”