Ook Havel kan grieven Slowaken niet verhelpen

BRATISLAVA/PRAAG, 16 APRIL. “Havel niet populair in Slowakije? Ik kan u cijfers laten zien waaruit blijkt dat hij hier de meest populaire federale politicus is”, zegt de Slowaakse professor Miroslav Kusy, een atletisch gebouwde zestiger met grijze kuif en baard die sinds vorig jaar oktober de belangrijkste bewoner is van de achter de burcht van Bratislava gelegen Kancelária Prezidenta Ceskej a Slovenskej Federatvnej Republiky.

Ongeveer een jaar geleden besloot de Tsjechoslowaakse president tot het instellen van dit bureau “om de betrekkingen tussen de federale president en de Slowaakse bevolking te vergemakkelijken”, zoals Kusy het uitdrukt. Dat leek ook wel nodig, getuige het ronduit vijandige onthaal dat de president bij verscheidene gelegenheden te beurt was gevallen tijdens bezoeken in Bratislava.

Kusy, die in 1968 actief was tijdens de Praagse Lente, daarna als hoogleraar filosofie op een zijspoor was gezet en in 1990 in het Slowaakse parlement werd gekozen als lid van de beweging Burgers tegen Geweld (VPN), is nog wel lid van het parlement, maar sinds zijn benoeming door Havel op deze post is hij partijloos.

Maar of de oprichting van het mini-bureaucratietje om Kusy - compleet met een dubbele veiligheidscontrole van zijn spaarzame bezoekers (“Daar kan ik ook niets aan doen, dat is door een ander ministerie zo verordonneerd”) - er veel toe zal bijdragen dat de Slowaken de federale president warmer zullen bejegenen, moet worden betwijfeld. Daarvoor zijn de grieven van de Slowaken tegen wat zij als neerbuigend paternalisme en kolonialisme van de Tsjechen ervaren te diep. Waar nog bij komt dat de president de onvergefelijke fout heeft begaan indertijd Bonn eerder met een officieel bezoek te vereren dan Bratislava. Uit de cijfers die Kusy vervolgens uit de schrijnend lege boekenkast haalt blijkt dat het aantal Slowaken dat tevreden is met het optreden van de president december vorig jaar opliep van 53 tot 65 procent, maar in februari alweer terugzakte naar 52 procent.

Een van de meest gehoorde grieven is dat sinds Tsjechoslowakije de weg van de markteconomie is opgegaan bijna alle buitenlandse investeringen gericht zijn op de Tsjechische landen. Slowakije, dat met z'n ruim vijf miljoen inwoners ongeveer een derde van de bevolking van Tsjechoslowakije beslaat, heeft tot dusver niet meer dan drie procent van de buitenlandse investeringen binnengehaald. Kusy: “Daar kun je natuurlijk niets aan doen. Een investeerder wil nu eenmaal kunnen kiezen en hij kiest de plaats waar hij het meeste rendement verwacht.” Hij voegt eraan toe dat de Slowaken er zelf soms toe bijdragen om het negatieve beeld dat in het buitenland bestaat te bevestigen. “Toen de president van het Slowaakse parlement in Finland een sombere rede had gehouden over de economische situatie hier bleek hij daarmee potentiële investeerders te hebben afgeschrikt.”

De grote vraag die de politieke discussies in Praag, maar vooral in Bratislava beheerst is of de door de geschiedenis, de economische ongelijkheid en het Slowaakse minderwaardigheidscomplex belaste verhouding met de Tsjechen zal uitlopen op een breuk. Begin deze maand werd een hernieuwde poging in het Slowaakse parlement om eenzijdig de soevereiniteit uit te roepen verijdeld doordat een aantal afgevaardigden de zaal verliet zodat er geen quorum aanwezig was. Maar het is de vraag of na de verkiezingen op 5 en 6 juni dergelijke procedurele kunstgrepen nog mogelijk zullen zijn om te voorkomen dat het land uiteenvalt. Vladimir Meciar, de vroegere premier van Slowakije en leider van de Beweging voor een Democratisch Slowakije (HZDS), is vol vertrouwen dat zijn partij, nu al de grootste, na de verkiezingen zozeer zal zijn versterkt dat Slowakije de soevereiniteit zal kunnen uitroepen, een nieuwe grondwet zal aannemen, en een eigen president zal kiezen.

Augustn Marián Huska, de vice-voorzitter van de HZDS, voormalig minister van privatisering in de regering van Meciar, is minder optimistisch dan zijn partijleider omdat, zoals hij zegt, “het politieke spectrum zo uitgebreid” is. Hij schat dat de HZDS zo'n 35 tot 40 procent van de stemmen zal krijgen, minder dan de absolute meerderheid waar Meciar op mikt. Húska is er ook niet zo zeker van of dat wel goed zou zijn. “We hebben hier al lang genoeg een eenpartijstaat gehad, controle door andere partijen in een coalitie is goed.” Huska, met zijn 68 jaar een duidelijk bedaarder politicus dan de vaak demagogische Meciar: “Wij zijn niet uit op een breuk, we willen een bond van twee parallelle staten die elk hun eigen buitenlandse subjectiviteit hebben.” Huska's ogen beginnen vervaarlijk te blikkeren terwijl zijn trillende hand met een bruine viltstift de huidige staatsstructuur op een velletje papier schetst. “Slowakije is nu een vazal van Praag, want de competenties zijn niet zodanig dat we over ons eigen grondgebied kunnen regeren. Die parasitaire structuur - een door de Tsjechen beheerste federatie - moeten we afschaffen. Eerst moeten we een verklaring aannemen over de soevereiniteit, dan moet er een grondwet worden aangenomen over de zelfstandigheid en dan moet er in Slowakije een referendum worden gehouden.”

Juist tegen die volgorde maken de Tsjechische, maar ook een groot aantal Slowaakse politici bezwaar. De eersten menen dat vóór alles bij referendum moet worden beslist of de twee volkeren bij elkaar blijven. Aan Slowaakse kant wijst een man als Petr Zajac, lid van Publiek tegen Geweld (VPN), erop dat in Slowakije nooit meer dan 20 procent van de bevolking voor volledige zelfstandigheid is geweest. “De Tsjechische politici hebben zich na de revolutie van '89 volkomen laten verrassen door de opkomst van het Slowaakse nationalisme. Ze hebben daar heel defensief op gereageerd met hun waarschuwingen tegen het gevaar van separatisme. Daardoor is er nu een sfeer ontstaan van wederzijdse verwijten en verdachtmakingen die, ben ik bang, wel eens tot gevolg kan hebben dat die onafhankelijkheid er via allerlei procedures wordt doorgedrukt en dat de Slowaken op een dag wakker worden in een zelfstandige staat zonder dat ze dat eigenlijk hebben gewild.”

Zajac gelooft dat de nationalistische partijen, zoals die van Meciar, het volk een rad voor ogen draaien. “Het beste dat bereikt kan worden is een federatie van twee gelijkberechtigde republieken met een vermindering van de centrale macht en een decentralisering op alle niveaus. Maar het is een illusie te denken dat er nog meer ruimte is voor een lossere verhouding. De grenzen van een gemeenschappelijke staat zijn niet van rubber. Vier punten zijn het absolute minimum: een gemeenschappelijke munt, gemeenschappelijke defensie, gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een gemeenschappelijk rechtsstelsel.”

Ook Ján Petrk, vice-voorzitter van de christendemocratische partij (KDH) van de huidige Slowaakse premier Ján Carnogurský en federaal parlementslid, meent dat de huidige verkiezingskoorts weinig bevorderlijk is voor een bezonken oordeel over de toekomst van Slowakije. Zijn “beweging” (“Het woord partij gebruiken we liever niet meer, dat is te zwaar belast”) is er voorstander van de kwestie van zelfstandigheid nog een jaar of vijftien te laten rusten, tot de tijd dat het land, naar wordt gehoopt, rijp zal zijn voor toetreding tot de Europese Gemeenschap. “Grenzen worden in het huidige Europa tenslotte steeds minder belangrijk.”

Tegenover gematigde politici als Zajac en Petrk staat Jozef Markus, de eerste premier van Slowakije na de val van het socialisme en voorzitter van Matica Slovenská, de culturele organisatie die sinds 1863 het erfgoed van Slowakije bewaakt. Markus noemt het een “drogreden” dat er, zoals de Tsjechen beweren, maar twee mogelijkheden zijn, een gemeenschappelijke staat zoals nu of twee volkomen onafhankelijke staten. “Kijk naar andere samenwerkingsverbanden tussen landen, zoals België en Luxemburg, die alleen een tolunie hebben.” Markus is het eens met de Tsjechen dat de oplossing moet worden gezocht op een “geciviliseerde en coöperatieve” manier. “Maar ik zie wel het gevaar voor haat, ontevredenheid en beledigingen over en weer en dan zou het wel eens kunnen komen tot niet-rationele oplossingen, tot handelsoorlogen bijvoorbeeld.” Hij ontkent dat er in Slowakije sprake is van extreem-nationalisme, van haat tegen Hongaren, joden en zigeuners. “In de pers wordt alleen maar geschreven over incidenten met skinheads, maar dat is een marginaal verschijnsel. Wij zijn vooral patriotten, wel voor soevereiniteit, maar niet voor volledige zelfstandigheid. We hebben een directe weg nodig met de wereld, niet een die via Praag loopt.”

's Avonds op het centrale plein van Bratislava lijken de geruststellende woorden van Markus te worden bevestigd. Een verkiezingsbijeenkomst van de HZOS, de extreem-rechtse Beweging voor de Bevrijding van Slowakije die leuzen voert als “Weg met de CSFR” en “We regeren zelf”, wordt slechts bezocht door enkele losse groepjes ouderen. De meeste aandacht gaat uit naar een gigantisch videoscherm dat op het Dom Mody (Modehuis) is aangebracht, en waarop reclamefilms worden vertoond van Westerse consumptiegoederen en -diensten, zoals de KLM, en naar het straatconcert van Peruaanse Indianen die het jonge publiek in vervoering brengen met hun even virtuoze als weemoedige Andesmuziek.