NAJIBULLAH; Van edelman tot bedelman

Toen de Sovjet-troepen zich in februari 1989 uit Afghanistan terugtrokken, leek de politieke ondergang van de pro-Moskou president Najibullah nabij.

Het islamitische verzet zou korte metten maken met het gehate communistische bewind, zo verwachtten velen. Het liep anders. Najibullah hield het veel langer vol, tot de dag van gisteren om precies te zijn, en in plaats van een totale zege voor de mujahedeen bevindt het land zich in een ondoorzichtige, hybride situatie, waarin voormalige moslim-broeders elkaar op leven en dood bevechten, terwijl andere verzetstrijders het op een akkoordje hebben gegooid met overgelopen militairen van Najibullah.

Maar voor de "Edelman van God' wat de naam Najibullah betekent lijkt het nu echt afgelopen. Hij mag blij zijn als hij het vege lijf ken redden. Veel van zijn voorgangers slaagden daar de afgelopen decennia niet in. Zijn aftreden en aanhouding gisteren voorspellen binnen de Afghaanse context weinig goeds.

De levensloop van de nu 44-jarige Mohammad Najibullah zijn voornaam en geboortedatum werden naderhand geheimzinnig weggelaten is exemplarisch voor dat van een Afghaanse heerser. Geboren uit de machtige Ahmadzai-clan van het Pahtanen-volk, genoot hij een beschermde jeugd en kon hij een hoge opleiding volgen. In 1975 studeerde hij aan de universiteit van Kabul af als arts.

Hoewel Najibullah zich tijdens zijn studie een devoot moslim toonde, vielen zijn politieke ambities op. In 1965 sloot hij zich aan bij de net opgerichte communistisch georienteerde Democratische Volkspartij van Afghanistan (PDPA), waarbinnen hij zich spoedig bekende tot de pro-Moskou vleugel (Parcham, de rode vlag). Najibullah was veelvuldig betrokken bij agitatie tegen het koningshuis en tegen de feodaliteit. Twee maal kwam hem dat op gevangenisstraf te staan. Na het verdrijven van koning Zahir Shah in 1973 en de vorming van een republiek werd Najibullah vermoedelijk beroepsmilitair en drong hij door tot de hoogste echelons van de communistische partij. Afghanistan maakte een periode door van bloedige staatsgrepen, over en weer uitgevoerd door de Parcham en Khalq-factie op elkaars posities, waarbij Najibullah telkens de dans wist te ontspringen.

De interventie van het Rode Leger, eind 1979, die een einde maakte aan het Khalq-bewind van Hafizullah Amin en aan diens leven, was voor Najibullah de grote kans. Eerst werd hij belast met de leiding van de geheime dienst, de Khad en in die hoedanigheid slaagde hij erin zijn persoonlijke ordetroepen te formeren. Zo bereide Najibullah de laatste etappe voor van zijn reis naar de macht.

In 1986 was het zover. Op klassieke wijze, tijdens een verblijf in het buitenland, werd president Babrak Karmal aan de kant gezet en wierp Najibullah zich op als de nieuwe sterke man. Hij voerde een meedogeloos bewind en toonde zich een fanatiek bestrijder van het moslimverzet. Maar inmiddels hadden de omstandigheden in de Sovjet-Unie zich grondig gewijzigd door het aantreden van Michail Gorbatsjov, die snel een einde wilde maken aan de tragische bemoeienis met het zuidelijke buurland. De politieke ondergang voor de betrekkelijk jonge Najibullah, man van de oude stempel, was toen slechts een kwestie van tijd geworden. Maar het tekent het taaie karakter van Najibullah dat hij tot het moment dat het zinloos was geworden vast bleef houden aan de macht.