Liever steeds op reis, dan wegkwijnen in Europa

Tentoonstelling: Uit menschlievendheid zoude ik barbaar kunnen worden. Nederlanders in Azië 1770-1830. Letterkundig Museum Den Haag, tot 1 juni. Het begeleidend Schrijversprentenboek (uitg. Veen) kost ƒ 35,-.

Een toevallig tot boekhouder gepromoveerd jongmens, een vlinderverzamelende marine-officier, een aan de drank geraakte ambtenaar en een militair die taalkundige werd. Deze vier heerschappen vormen het onderwerp van een tentoonstelling in het Letterkundig Museum onder de titel "Uit menschlievendheid zoude ik barbaar kunnen worden'. De vier heren hebben gemeen dat ze, levend aan het eind van de achttiende en in de eerste helft van de negentiende eeuw, alle vier reislustig en nieuwsgierig waren en bovendien de schrijf- en de tekenpen met vaardigheid hanteerden. Alle vier hebben ze het voormalig Nederlands-Indië bereisd en alle vier hebben ze daar uitvoerig over gepubliceerd.

De titel van de tentoonstelling en van het begeleidende Schrijversprentenboek is afkomstig van de oudste van de vier, Jacob Haafner (1755-1809). Haafner is slechts aan weinigen bekend en dan nog alleen van enkele bloemlezingen. Met de verschijning van het eerste deel van zijn verzameld werk in de Werken van de Linschoten-Vereeniging is daar een eind aan gekomen. Tegelijk met de opening van de tentoonstelling werd dit eerste deel gepresenteerd van deze beeldende en onderhoudende schrijver.

Haafner, van Frans-Duitse komaf, reisde al op elf-jarige leeftijd met zijn vader naar Azië. Deze overleed toen het schip bij Kaap de Goede Hoop aanlegde en de jonge knaap bleef daar vier jaar lang wonen. Na een kort verblijf in Batavia keerde hij in 1770 terug naar Amsterdam. Lang hield hij het daar niet uit. Binnen een jaar verliet hij Nederland opnieuw. Hij kwam terecht in Bengalen, waar hij twee gelukkige jaren verbleef tot de Engelsen de stad innamen. Vervolgens maakte hij enkele reizen door India en Ceylon.

In 1786 keerde Haafner voorgoed terug naar Europa. Hij vestigde zich na enkele omzwervingen in Amsterdam. Nog steeds beviel het hem niet in het klamme land. “Neen”, zo schreef hij later, “in Europa en voornaamelijk in het noordelijk gedeelte van het zelve, geniet men zijn leven niet, men kwijnt het, om zoo te zeggen, weg”. Maar zijn verzoeken om terug te mogen keren naar de Oost bleven onbeantwoord. Hij verloor zijn in Franse assignaten belegde kapitaal, handelde wat in pijpen, maar een vetpot was dat niet. Een gelukkige ingeving deed hem besluiten zijn belevenissen op papier te stellen. En zo verschenen nog tijdens zijn leven enkele artikelen en in 1806 zijn Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebar naar het eiland Ceilon. Daarop volgde Reize in een palanquin en Reize te voet door het eiland Ceilon.

Na Haafners dood verzorgde zijn zoon nog drie werken. Haafners proza is goed ontvangen en werd ook vertaald in het Frans, Duits en Engels. Zijn levendige taal vertoont nauwelijks sporen van de langdradigheid die zijn tijdgenoten voor goede stijl versleten. Ze zijn niet alleen leesbaar gebleven door die stijl en de vele avonturen die hij beschreef, maar ook door zijn kritische kijk op het kolonialisme, die hem de naam heeft bezorgd een voorloper van Multatuli te zijn geweest.

Q.M.R. VerHuell (1787-1860) was veel jonger dan Haafner. Hij vertrok als marine-officier in 1815 onder heel andere omstandigheden naar Azië. Haafner had de nadagen beleefd van het bewind van de VOC en de onophoudelijke dreiging van de Engelsen. VerHuell arriveerde met als doel het Nederlands gezag over te nemen van diezelfde Engelsen, die nu met tegenzin afstand deden van de Indonesische archipel. Bovendien kreeg VerHuell nog veel te stellen met opstanden op de Molukken. VerHuell mocht dan beroepsmatig een vechtjas zijn, hij koesterde tegelijk een grote liefde voor de natuur en hij maakte vele schetsen van planten en dieren. Hoewel veel van zijn aantekeningen tijdens een schipbreuk op de terugreis verloren zijn gegaan, slaagde hij er toch in met de geredde schetsen en zijn geheugen zijn Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën te schrijven, die tussen 1835 en 1838 verschenen.

J. Olivier (1789-1858), verbleef tussen 1817 en 1826 in Nederlands Indië. Zijn drankmisbruik bezorgde hem voortdurend disciplinaire straffen en overplaatsing. Tot hij het zo bont maakte dat hij terug naar Nederland moest. Hij leefde er van vertalingen en van zijn boeken over de Oost. Olivier, eenmaal getrouwd, verbeterde zijn leven en mocht na vele verzoeken terugkeren naar de Oost waar hij nu werk kreeg als vertaler, onderwijzer en tenslotte als directeur van 's Lands Drukkerij.

De vierde reizende auteur is P. P. Roorda van Eysinga (1796-1858). Als militair reisde hij in 1819 naar Batavia. Hij verruilde zijn uniform voor het burgerpak, maakte carrière en begon een grondige studie te maken van de inlandse talen. In 1824 en 1825 publiceerde hij al een Nederlands-Maleis woordenboek. Roorda woonde tussen 1830 en 1843 weer in Nederland en zijn wetenschappelijk gezag was zo gegroeid dat hij hoogleraar werd in Leiden en aan de KMA in Breda. Van zijn hand verschenen verschillende geografische en taalkundige werken. Na nog een zesjarig verblijf op Java, keerde hij in 1849 definitief terug en werkte hij aan een verbeterde druk van zijn Maleis-Nederlands woordenboek, dat in 1855, een jaar voor zijn dood, verscheen.

De tentoonstelling in het Letterkundig Museum belicht elk van de vier personen uitvoerig met brieven, rapporten, tekeningen, aquarellen, en natuurlijk hun boeken. Het schrijversprentenboek geeft een voortreffelijke inleiding op de vier reizende schrijvers. Ook hier: volop illustraties, biografisch materiaal en welgekozen fragmenten uit hun werk.