Kruimels maken geen feest; De argumenten voor en tegen het kunstenplan

Eind april stuurt minister van WVC D'Ancona haar voorstel voor het nieuwe Kunstenplan naar de Tweede Kamer. Anderhalve maand geleden bracht de Raad van de Kunst daarover advies uit. De Raad stelt forse verschuivingen voor in de subsidie aan de verschillende kunstinstellingen. Alle betrokkenen, van schouwburgdirecteuren tot Tweede-Kamerleden, hebben er inmiddels hun mening over gegeven. Wie heeft gelijk? “Het beleid is zo grillig dat iedereen zijn eigen gelijk kan bewijzen, omdat er een overmaat aan criteria en argumenten is.”

Toen Hedy d'Ancona tweeënhalf jaar geleden aantrad als minister van WVC, was een van haar doelstellingen dat er een openbare discussie zou ontstaan over het kunstbeleid van het rijk. In een interview met deze krant zei ze: “Iedereen moet zich kunnen mengen in het debat over kwaliteit in de kunst: de kunstenaars zelf, de organisaties, de politici, de kranten. En ikzelf.”

Al was er een jaar geleden een golf van protest van direct belanghebbenden tegen dreigende bezuinigingen op het kunstbudget, de algemene discussie heeft meer dan twee jaar op zich laten wachten. Het gewenste debat is er nu, sinds de Raad voor de Kunst anderhalve maand geleden een advies uitbracht over het nieuwe Kunstenplan. Daarin wordt geregeld welke kunstinstellingen in de de komende vier jaar van het rijk subsidie zullen krijgen. De Raad voor de Kunst stelt voor forse verschuivingen aan te brengen. Sommige takken van kunst, zoals film en bouwkunst, zullen meer subsidie krijgen. Dat gaat ten koste van andere kunstvormen, zoals muziek, opera en beeldende kunst.

Orkesten, toneelgezelschappen, opera's, de filmwereld, instellingen op het gebied van beeldende kunst, dansers, beheerders van fondsen, directeuren van schouwburgen en concertzalen hebben zich inmiddels daarover uitgesproken. Ook politici deden dat, en gemeenteraadsleden, burgemeesters, commissarissen van de Koningin en leden van de Tweede Kamer.

Minister d'Ancona gaf zelf al een keer haar mening, in oktober vorig jaar, toen ze de Raad voor de Kunst om advies vroeg en de door haar gewenste hoofdlijnen aangaf. Eind april geeft de minister opnieuw haar mening, als ze haar voorstel voor het nieuwe Kunstenplan naar de Tweede Kamer stuurt. In juni volgt dan nog in de vergaderzaal van de Tweede Kamer de definitieve openbare discussie.

Volop debat dus met standpunten, argumenten en meningen op alle niveaus. Maar het is wel een merkwaardige discussie. De weinig opzienbarende maar essentiële constatering van de Raad voor de Kunst dat voor een goed kunstbeleid zeker veertig miljoen gulden meer nodig is, krijgt nauwelijks aandacht. Kunstinstellingen, organisaties en regio's vechten alleen tegen elkaar om hun eigen partje van het kunstbudget te behouden. Ze bestrijden elk één andere bladzijde van het duizend pagina's tellende advies van de Raad voor de Kunst. Maar ze sluiten zich niet aaneen om de Raad te steunen in de vaststelling dat het onmogelijk is van de nu beschikbare 360 miljoen gulden een goed kunstbeleid te voeren, dat op een redelijke wijze recht doet aan allerlei ontwikkelingen en wensen waarover iedereen het wel eens is.

Natuurlijk, er is altijd voor alles in de samenleving te weinig geld en zeker in een tijd van bezuinigingen. En het is goed dat de minister met 400 miljoen gulden extra in tien jaar wat doet aan het inlopen van de enorme achterstanden die tijdens het bewind van haar voorganger Brinkman waren ontstaan in het cultuurbehoud.

Afbraak

Minister d'Ancona had op de laatste Prinsjesdag laten weten nog meer te willen bezuinigen op de begroting voor de podiumkunsten, die nu 246 miljoen gulden bedraagt. De Raad voor de Kunst sprak in een felle reactie op het voornemen van d'Ancona om te korten op het kunstbudget dan ook van "afbraak van de kunstsector'. Later kwam de minister terug op haar voornemen en verschoof de bezuiniging naar de vage post "cultuurbeheer'. Zo leek het op het oog toch nog alsof er niet verder op kunst werd bezuinigd. Maar onder "cultuurbeheer' valt bij voorbeeld ook het aankoopbudget van het Rijksmuseum.

Bovendien, zegt de Raad voor de Kunst, wat de minister toch heeft laten verdwijnen is 5,6 miljoen gulden die in het regeerakoord beschikbaar werd gesteld voor het oplossen van allerlei knelpunten die waren ontstaan tijdens de uitvoering in het eerste Kunstenplan. Die knelpunten - onder andere de volgens de minister zelf veel te lage salariëring van dansers - bestaan dus nog steeds. De oplossing daarvan gaat nu ten koste van andere activiteiten en kunsten en dat schept weer nieuwe knelpunten.

Het verdwijnen van die 5,6 miljoen gulden is tekenend voor het gebrek aan standvastigheid in het kunstbeleid. De Raad voor de Kunst zegt in het advies aan de minister dat het succes van het kunstbeleid niet alleen afhangt van de perfectie waarmee het systeem van subsidiëring werkt en de juistheid van de keuzes die worden gemaakt, maar ook van de omvang van het kunstbudget. “Of iedereen de juiste portie krijgt, ligt niet alleen aan de verdeling en de scherpte van het mes, maar ook aan de grootte van de taart.” Om de beeldspraak voort te zetten: van een te klein taartje kan men wel iedereen een stukje geven, maar die kruimel kan niet de indruk wekken dat het feest is.

Eerlijk delen tussen alle kunsten is uiteindelijk bij een te karige kunstbegroting het uitdelen van armoe. De minister zag dat ook in: “Ik ben niet voor het verdunnen van de spoeling over steeds meer gesubsidieerden.” De Raad voor de Kunst schrijft in het advies dat het ontbreken van de extra veertig miljoen gulden leidt tot "buitengewoon pijnlijke ingrepen.'

Niettemin heeft dit college de moed opgebracht daarvoor voorstellen te doen. De geadviseerde verschuivingen gaan overigens veel minder ver dan de minister in haar adviesaanvraag graag had gezien. Zij wilde bij voorbeeld vijf tot twaalf miljoen per jaar meer bezuinigen op muziek in de regio dan in het voorstel van de Raad voor de Kunst. Die bepleit daarvoor bovendien nog compensaties: orkesten en ensembles uit de Randstad moeten vaker optreden in de regio.

De door de Raad geadviseerde "buitengewoon pijnlijke ingrepen', zoals het opheffen van enkele orkesten, theatergezelschappen en dansgroepen, roepen een stroom van protesten op. Ook voor wie vindt dat niet altijd alles moet blijven zoals het ooit was en dat juist de essentie van kunst is dat die verandert en zich vernieuwt, is het opvallend dat veel van die protesten redelijk klinken. Ze lijken meestal zelfs heel juist in hun argumentatie en lenen zich nauwelijks voor principiële tegenspraak.

Waarom zou, bij voorbeeld, het Limburgs Symphonie Orkest moeten worden opgeheven, juist nu er in Maastricht het Theater aan het Vrijthof is gebouwd, een concertzaal met een uitstekende akoestiek die veel meer muziekliefhebbers zal trekken dan het oude Staargebouw? Waarom moet het orkest van opera Forum verdwijnen, terwijl elke andere oplossing om in de toekomst operavoorstellingen te begeleiden veel duurder is en het aantal symfonische concerten flink vermindert en terwijl de belangstelling daarvoor steeds groter wordt? Moet het verschaffen van renteloze leningen voor de aankoop van beeldende kunst door particulieren worden opgeheven omdat dit een succes is en dus geld kost? Of omdat sommige mensen daarmee kunst kopen die door anderen minder hoog wordt aangeslagen? Verdient de Nederlandse filmcultuur niet veel krachtiger stimulansen om te voorkomen dat we straks alleen nog maar naar Amerikaanse of pan-europese films kunnen kijken?

De Raad voor de Kunst heeft voor al die adviezen echter ook argumenten die redelijk klinken. Een kwalitatief niet erg sterk orkest concerten laten geven voor gemiddeld vierhonderd man publiek is niet de beste besteding van schaars subsidiegeld. In het oosten en het zuiden moet de nog niet afgeronde herstructurering van het orkestenbestel net zo worden doorgezet als in het noorden al is gebeurd. De aankoopregeling voor beeldende kunst is fraudegevoelig, kost te veel geld en het kopen van heidelandschapjes behoeft geen overheidssteun. En film, met een zo groot publieksbereik, is met zes procent van het kunstbudget, wel erg schamel bedeeld.

Vernieuwing

Tegen dat alles is óók nauwelijks iets in te brengen. Het probleem met het kunstbeleid is niet alleen dat het kunstbudget te laag is. Het beleid is ook zo grillig dat iedereen zijn eigen gelijk kan bewijzen, omdat er een overmaat aan criteria en argumenten is. De volgende opsomming is zeker niet compleet.

Kunst kan of moet of mag vernieuwend zijn, kwaliteit hebben, gespreid zijn, een groot publiek trekken, of een nieuw publiek, of een jong publiek. Kunst mag topkunst zijn, uniek, succesvol of zelfs elitair, maar evengoed ook aanvullend, marginaal, avantgardistisch en innovatief. Meestal mag niet worden getornd aan het bestaande, want het goede verdient uiteraard te worden behouden, zeker wanneer er maatschappelijke respons is of als daarmee de cultuurparticipatie wordt bevorderd. De grote podia moeten grootschalige kunst brengen en op de kleine podia is ruimte voor het experiment, dat grensverleggend kan zijn. En ook de amateuristische kunstbeoefening verdient passende ondersteuning.

Voor werkelijk alles is een geldig argument te selecteren uit de wolk van criteria die is opgestegen uit de discussie over het kunstbeleid in de afgelopen decennia. Slechts af en toe verdwijnt er een uit het zicht, zoals "maatschappelijk relevant', een eis die dateert uit de subculturele revolutie aan het einde van de jaren zestig. Maar verder komen er vooral steeds meer bij. Zo heeft de nu lopende discussie over het nieuwe Kunstenplan het regio-argument opgeleverd.

Minister d'Ancona heeft dat uitgelokt door veel van het geld dat zij wil besteden aan haar prioriteiten te onttrekken aan symfonische muziek en opera buiten de Randstad: negen tot zestien miljoen gulden per jaar. Dat is bijna een kwart tot bijna de helft van wat daar nu nog door het rijk aan wordt besteed. De negen provincies sloten zich onder leiding van de Gelderse commissaris van de koningin Terlouw onmiddellijk aaneen tot een onoverwinnelijk front. “Geen cent uit de regio naar de toch al met kunst overbedeelde Randstad! We zijn hier geen halve wilden, die zoals ze in Den Haag denken, alleen maar willen genieten van de natuur.”

Wie zal dat tegenspreken? Niet de Tweede-Kamerleden, die trouwens in meerderheid uit de regio komen. Wanneer zij in Maastricht de opening bijwonen van het Theater aan het Vrijthof, zegt de PvdA-er Niessen dat het Limburgs Symphonie Orkest moet blijven. En als zij in Arnhem een Nationaal Kunstdebat bijwonen, zeggen zij dat middelen die worden onttrokken aan kunstinstellingen in de regio, ook in die regio moeten blijven en andere kunstdoelen ten goede moeten komen.

Het is, alweer, allemaal heel begrijpelijk. Maar het probleem is dat niet alles wat op begrijpelijke, redelijke en sympathieke wijze met goede argumenten wordt verdedigd kan worden betaald uit dat te laag geworden kunstbudget. En daarnaast heeft minister d'Ancona nog haar eigen wensen.

Enkele van die persoonlijk getinte beleidsvoorstellen van de minister zijn vier miljoen gulden per jaar extra voor het bevorderen van de bouwkunst (vooral het laten functioneren van het nieuwe Architectuurinstituut in Rotterdam) en ruim vijf miljoen extra per jaar voor film. Als dat alles gefinancierd moet worden uit de kunstbegroting met de huidige omvang, dwingt dit inderdaad tot duidelijke keuzes, tot opheffen, tot "majeure verschuivingen', zoals de minister en de Raad voor de Kunst zeggen.

Met die tientallen criteria en argumenten is door de minister en de Raad voor de Kunst alles te verdedigen of te ondergraven. Iedereen kan zo naar believen het gewenste gelijk binnen halen en daarmee geld beschikbaar krijgen voor de eigen prioriteiten. De Rijksdienst Beeldende Kunst moet worden ontmanteld, omdat die te weinig deed aan de marktverruiming voor de galeries. Maar had de dienst niet tot taak om een museale collectie op te zetten en te beheren? Het vaste publiek dat het unieke bewegingstheater BEWTH noodlottig is, wordt in het geval van Maatschappij Discordia genoemd als reden om de subsidie wederom toe te wijzen. Hoewel de Raad klaagt dat er veel te weinig geld is, worden de aanvragen van acht nieuwe mimegroepen tegelijk gehonoreerd.

Het Theater van het Oosten mag blijven, want, zo luidt de argumentatie, “desalniettemin lijkt deze theatervoorziening aan te slaan.” Voor de allochtone groep De Nieuw Amsterdam geldt dat argument van publiek succes weer niet. De aankoopregeling beeldende kunst moet weg omdat die fraudegevoelig is. Maar dat is bijna alles in deze maatschappij, zelfs het belastingsysteem. Opera in de regio wordt door de minister te duur bevonden, maar de veel duurdere Nederlandse Opera in het Amsterdamse Muziektheater wordt dat verwijt niet gemaakt. De ook internationaal succesvolle Dogtroep moet weg omdat de groep zich niet verder ontwikkelt. Hetzelfde kan men beweren van het Willem Breuker Kollektief en het Koninklijk Concertgebouworkest, maar die mogen blijven.

Harde realiteit

Wat men ook vindt van al deze voorstellen, adviezen en tegenvoorstellen, de harde realiteit dat het in dit land kennelijk niet mogelijk is een Architectuurinstituut in Rotterdam te laten functioneren èn achter de Utrechtse heuvelrug het nu bestaande muziekleven in stand kan houden, wordt door minister en Raad in ieder geval niet ontlopen. En dus gaat de bevordering van de bouwkunst ten koste van de bevordering van de beeldende kunst, leidt de bevordering van de filmkunst tot de opheffing van een orkest en gaat de bevordering van de danskunst ten koste van een ander orkest.

Dat alles bij elkaar leidt tot een absurde toestand. Want naarmate het moeilijker is om te veel wensen te betalen uit een te klein kunstbudget, voelen minister en Raad voor de Kunst zich gedwongen de noodzaak om dan maar op sommige vormen van kunst en op een aantal kunstinstellingen te bezuinigen zo veel mogelijk te motiveren. Maar in die steeds benauwder fuik leidt dat tot een steeds onredelijker gebruik van die argumenten.

Natuurlijk zijn, als men de orkesten afgaat, sommige beter dan andere. Maar dat betekent niet dat de twee minst goede ook zó slecht zijn dat ze zonder meer in aanmerking komen voor onmiddellijke opheffing. Dat sommige vormen van kunst, zoals opera en symfonische concerten, op grond van hun aard duurder zijn dan andere, is op zichzelf geen reden om daarop te korten, zoals de minister nu voorstelt, en meer aan goedkopere kamermuziek te doen. Als de nood in de toekomst nog hoger wordt, leidt deze redenering tot het voorstel om toneelstukken met uitvoerige bezettingen af te schaffen en alleen nog het solo-theater te subsidiëren.

Daarom zou het maar beter zijn als minister en Raad voor de Kunst ophielden met de schijn te wekken dat men hierover werkelijk kan discussiëren en duizend pagina's kan produceren met serieus te nemen adviezen. Laten ze eerlijk zeggen dat er van dit kunstbudget geen rechtvaardig en afgewogen kunstbeleid mogelijk is, dat het verdelen van armoede niet kan met consistente criteria en zinvolle argumenten. De waarheid moet maar openlijk gezegd worden: we hebben er te weinig voor over.

Weg met ons

Het systeem om elke vier jaar een nieuw Kunstenplan te maken, was bedoeld om een voortdurende evaluatie en bijstelling van besteding van het schaarse geld voor kunst mogelijk te maken. Buiten het departement en de vergaderkamers van de adviseurs, blijkt in de kunstwereld, bij gemeenten, provincies en Tweede Kamer, echter een onbedwingbare neiging om het bestaande hoe dan ook te handhaven. Dat "wij willen blijven'-standpunt is een natuurlijke reactie - niemand zegt ooit "weg met ons'. Bovendien zijn er argumenten te over. Slechts af en toe worden alternatieven aangegeven of andere financiering gezocht. Maar ook dan ontlopen de Tweede-Kamerleden, die de beslissende laatste stem hebben over het kunstbeleid, het liefst een werkelijke keuze of ze stellen iets onmogelijks voor.

Zo wil het PvdA-kamerlid Niessen het Limburgs Symphonie Orkest behouden door het te laten betalen door de provincie Limburg. Hij presenteert niet alleen een sigaar uit eigen doos, maar haalt ook het hele systeem van de kunstfinanciering overhoop. Want waarom zou het orkest in Maastricht op een andere manier moeten worden betaald dan het orkest in Groningen?

VVD-leider Bolkestein stelde in Arnhem zelfs voor om de omroeporkesten op te heffen ten bate van de regionale orkesten. Dat is een inbraak op klaarlichte dag. Die orkesten zijn van de omroep, niet van de staat. Ze worden betaald uit de omroepbijdragen, niet van belastinggeld. Dat zou bekend moeten zijn bij de VVD, die altijd zo goed weet wat het verschil is tussen de publieke en de private sector.

Tijdens het debat in Arnhem beloofden kamerleden van CDA, PvdA, D66 en VVD zich bij de volgende kabinetsformatie in te spannen voor die veertig miljoen meer die de Raad voor de Kunst bepleit. Dat klinkt mooi. Maar als het al gebeurt, is het niets meer dan het gedeeltelijk ongedaan maken van de feitelijke bezuinigingen van de afgelopen jaren. In zijn tijd als minister heeft Brinkman het kunstbudget dan wel jarenlang "relatief ontzien', maar het deel van de rijksbegroting voor kunst is niettemin gestaag gedaald. Alleen al in de jaren 1989-'91 scheelde dat 27 miljoen gulden. Als zelfs een minister, die zegt het goed te menen met de kunstwereld, de beloofde 5,6 miljoen extra laat schieten, waarom zouden we dan kamerleden vertrouwen als hun beloften nog niet eens in hun partijprogramma's staan? En waarom moeten die "buitengewoon pijnlijke ingrepen' nu doorgaan als de politici die ze noodzakelijk hebben gemaakt, zelf toegeven dat ze eigenlijk onnodig zouden moeten zijn?

De vraag is of het rijk, minister en kamerleden, zich werkelijk bekommeren om kunst en cultuur. Die gedijen alleen in een sfeer van stimulerende grootmoedigheid, van verbeeldingsvolle welwillendheid, van een genereuze geestesgesteldheid, van een bevlogen mecenaat, ook al is dat afkomstig van een zuinige overheid.