In de woestijn (7)

De theevisite bij de Toearegs verliep feestelijk. Er waren kamelendekens rond het vuur neergelegd waarop we mochten zitten.

De twee zwartgeblakerde ijzeren theeketeltjes werden steeds bijgevuld. Meneer Ali ben Ali ben Ali Tagelmust kon heel mooi thee schenken. Iedere keer liet hij met een sierlijk gebaar zijn keteltje door de lucht zwaaien om precies op het juiste moment een theestraal in het kleine glaasje te mikken, zonder een druppel te morsen. Nadat iedereen drie glaasjes van het vreemde kruidenbrouwsel had gedronken was de theeceremonie voorbij.

“Geniet uw stamhoofd thans van zijn welverdiende nachtrust?” hoorden we meneer Tagelmust achter zijn olijfgroene sluier vragen. “Ons stamhoofd? Wie bedoelt u?” vroeg mijn vriend Jan. “Zijn gestalte is rond als de volle maan en zijn hoofd is getooid met een korte, dansende staart”, antwoordde meneer Tagelmust. “Oh, u bedoelt dat dikkerdje met dat paardestaartje, Gied Meeuwenoog, de leider van onze Grote Sahara Expeditie. Ik zie dat er licht uit zijn tent komt, hij zal dus nog wel wakker zijn”, zei Jan. “Wilt u aan uw stamhoofd vragen of hij vanavond onze gast wil zijn?” drong meneer Tagelmust aan. Jan liep naar de tent van Gied Meeuwenoog om de uitnodiging van Ali ben Ali ben Ali Tagelmust over te brengen. In de stilte van de woestijnnacht hoorde ik Gied Meeuwenoog antwoorden: “Ik heb helemaal geen zin om op een paar oude dekens bij een vies dromedariskeutelvuur te gaan zitten koukleumen. Zeg maar tegen de Toearegs dat ik niet kom omdat ik hoofdpijn heb.”

Ik was blij dat die aardige meneer Tagelmust alleen maar Frans kende en geen woord Hollands verstond. Toen Jan weer terug was, zei hij tegen meneer Tagelmust: “Volle Maan laat zich verontschuldigen. Hij kan niet komen, zijn paardestaartje is verkouden.” “Waar zand is, waart 's nachts de koude rond. Rond middernacht zal de temperatuur gewis tot het vriespunt dalen”, zei meneer Tagelmust.

Plotseling hoorden we in de verte afgrijselijke geluiden klinken. De duif van meneer Tagelmust vloog op en begon zenuwachtig rond te fladderen. “Hoor, de goudjakhalzen. Ze janken en blaffen tegen de maan en daarna zullen ze op strooptocht gaan. Hun sluipende gestalten zullen zich als schimmen door de woestijn verplaatsen.

“Maar zolang het vuur brandt, blijven wij van de jakhalzen verschoond”, zei meneer Tagelmust. Ineens zagen we iemand door de woestijn komen aanrennen. Het was Gied Meeuwenoog. “Er zijn wilde dieren in de buurt die ons willen verscheuren. Wat moeten we doen?” riep hij uit. “De jakhalzen zijn bang voor vuur. Je moet dus dicht bij het dromedariskeutelvuurtje blijven”, zei Jan grijnzend. Gied Meeuwenoog plofte meteen op een kamelendeken neer. “Welkom Volle Maan. Het verheugt mij dat u in ons midden wilt zijn ondanks uw staartpijn”, zei meneer Tagelmust vriendelijk.

(wordt vervolgd)

xxx