Hoogleraar: veel obstakels bij integratie moslims; "Godsdienstvrijheid islamieten wordt in de praktijk belemmerd'

LEIDEN, 17 APRIL. Onderlinge verdeeldheid, een zwakke sociaal-economische positie en gebrek aan kader vormen belangrijke obstakels voor de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving.

Dat is de mening van de Leidse islamdeskundige prof. P.S. van Koningsveld. Maar begin deze week tijdens een een bijeenkomst in de Rode Hoed in Amsterdam over de integratie van moslims was hij niet zo duidelijk. Toen richtte hij zijn kritiek vooral op de politieke onwil om de oorzaken aan te pakken van de achterstandssituatie waarin moslims in Nederland zich bevinden.

“Dat klopt. Ik heb er bewust voor gekozen om niet al te zeer uit te halen naar de moslimgemeenschap zelf. Binnen de kortste keren werk je mee aan het stigmatiseren van een bevolkingsgroep en daar voel ik niets voor. Daar komt bij dat ik vind dat het moment is aangebroken waarop wij als samenleving de consequenties moeten trekken uit het feit dat hier een grote moslimgemeenschap woont. Niet tijdelijk maar blijvend.”

Van Koningsveld vindt het bijvoorbeeld ongerijmd dat moslims zich wel in theorie kunnen beroepen op de vrijheid van godsdienst, maar dat zij dit recht in de praktijk niet kunnen effectueren. Zo kunnen zij op de wekelijkse gebedsdag, vrijdag, niet 's middags enige tijd vrij krijgen om naar de moskee te gaan. En ook zijn de twee belangrijke islamitische feestdagen, het feest van de verbreking van de vasten en het offerfeest, niet wettelijk erkend als algemene feestdagen.

“Het totaal aantal feestdagen hoeft voor mij niet te worden uitgebreid. Maar we zouden best tweede Paasdag en tweede Pinksterdag kunnen missen en met elkaar afspreken dat die worden gereserveerd voor de islamitische feestdagen. Daar gaat een enorme symboolwerking van uit, mensen zullen het gevoel krijgen: we zijn geaccepteerd.”

De moeilijkheid is wel, zegt hij, dat het niet duidelijk is wie moet bepalen op welke dag bijvoorbeeld het feest van de verbreking van de vasten zou moeten worden gevierd. “Over het tijdstip waarop de Ramadan begint bestaat verdeeldheid en dus ook over het tijdstip waarop de Ramadan eindigt. Sommigen zeggen: als de Turkse overheid zegt dat de Ramadan begint, dan gaan we vasten. Anderen richten zich op het sein van de Marokkaanse overheid. Weer anderen zeggen: nee, we wachten op bericht uit Mekka of op bericht van Nederlandse sterrenkundigen. Dat maakt het moeilijk om tot eenduidige afspraken te komen.”

Maar erger vindt hij het dat de overheid zich zo weinig toeschietelijk toont om over dit onderwerp te praten. Sterker nog, dat er allengs sprake lijkt van een klimaat dat ruimte laat voor het ongehinderd doen van uitspraken waarin nauwelijks verholen anti-islamitische vooroordelen doorklinken.

“Ik noem dat het proces van verburgerlijking van het anti-islamitische discours. De islam wordt afgeschilderd als het grote gevaar voor de westerse samenleving, voor de normen en waarden die hier gemeengoed zijn. Maar het is werkelijk te onzinnig voor woorden om bang te zijn voor een islamisering van Nederland. Geen moslim die daar op uit is. Dat iemand als VVD-fractieleider Bolkestein ongehinderd kan zeggen: als ze hun godsdienst afschaffen mogen ze hier blijven, anders niet. We kunnen moeilijk volhouden dat Nederland bezig is een multi-culturele samenleving op te bouwen als we niet ook voor de moslimgemeenschap het recht erkennen op de vrijheid van godsdienst.”

De integratie van moslims wordt volgens Van Koningsveld ook bemoeilijkt door het feit dat de werkloosheid onder hen zo hoog is. Volgens hem heeft de zwakke sociaal-economische positie waarin een bepaalde bevolkingsgroep zich bevindt gevolgen voor de manier waarop de godsdienst wordt beleefd.

“De sociaal-psychologische functie die godsdienst vervult hangt sterk samen met de sociaal-economische omstandigheden van betrokkenen. De godsdienst van werklozen wordt het geloof van de underdog waarin gemakkelijk revolutionaire elementen kunnen worden ontwikkeld ter onderbouwing van een opstandig verzet tegen de samenleving die deze mensen immers marginaliseert. Als men wil bevorderen dat de islam niet zal worden ervaren als iets wat buiten en zelfs tegenover de samenleving zou komen te staan, moet men de werkloosheid onder de moslims met kracht bestrijden.”

Niet alleen op de arbeidsmarkt, ook in het onderwijs is sprake van een scheefgroei, aldus Van Koningsveld. Een nijpend gebrek aan islamitische leerkrachten en onvoldoende kennis over de islam bij Nederlandse leerkrachten leiden er toe dat de kloof tussen wat islamitsiche leerlingen thuis en op school meekrijgen wordt vergroot. “De opleiding van leerkrachten moet op dit punt worden verbeterd en het onderwijs in de levensbeschouwelijke stromingen die in Nederland bestaan, moet een vanzelfsprekend onderdeel van het lespakket worden.”