Het zweet en borrelt en kookt en ontploft

Op verzoek van het Cultureel Supplement schrijven regisseur Gerardjan Rijnders en recensent Kester Freriks elkaar elke maand een brief. In de achtste aflevering vraagt Kester Freriks zich af wat acteren is. Hij ging op zoek naar citaten van acteurs zelf en keek naar Liefhebber, het laatste toneelstuk van Gerardjan Rijnders. “Jij spaart jezelf en je acteurs; jij pleit jezelf en je acteurs vrij,” vindt hij. “Liefhebber is een effectieve voorstelling,” antwoordt Rijnders. “Het is een poging het toneel kapot te maken en daardoor wordt het bij uitstek toneel.”

Beste Kester,

Het mooiste interview dat ik ooit een actrice afnam was tevens het kortste. Ik verzocht de voormalige Schaubühne-actrice Edith Clever om een onderhoud, “Wieso”, antwoordde ze, “ich äussere mich niemals.” Je hebt groot gelijk, dacht ik.

Prachtige zinnen natuurlijk: “acteren is een kreet slaken tegen de dood” of “het leven is een toeval, een boosaardige woekering”, maar het zegt mij niets over toneelspelen, het hadden ook beweringen kunnen zijn van een stewardess, gevraagd naar haar broodwinning. En als Pierre Bokma iets heel fijnzinnigs beweert over een kristallen staaf die in een witte marmeren ruimte schuin omhoog loopt, dan weet ik nog helemaal niks over hoe hij Achilles heeft gespeeld, wel dat voor Pierre acteren zoiets is als neuken, want zo triviaal-Freudiaans denk ik graag. Ik heb meer aan een uitspraak van Kitty Courbois: acteren is zoeken. Nog fascinerender vind ik een opmerking van acteur Gijs de Lange na een voorstelling van Lady Windermere's Fan: ik heb één keer fout geademd, toen haalde ik het einde van de zin niet goed, dus geen lach. Dat leert mij iets over acteren, over de techniek van het vak. Jij vindt een acteur goed als hij mooie zinnen kan formuleren over het leven en de kunst en de eenzaamheid, ik vind een acteur goed als hij goed toneel kan spelen, ook al weigert hij of zij zich buiten het theater op welke manier dan ook te uiten.

Ook ik heb de afgelopen week Duits toneel gezien. Alles bij elkaar wel vijf uur lang Duits toneel. Dat betekende vijf uur lang op Zen. Met alle respekt voor de technische vaardigheden voor de Beckett-acteurs uit Bochum, voor de virtuositeit van én Ritter én Dene én Voss, iedere zin werd duidelijk uitgesproken, iedere overgang werd overtuigend gespeeld, maar God, wat saai. Jij noemt het zinnelijk, ik noem het gips. Het was een verademing om daarna Muizelaar, Rijxman en Goessens bezig te zien in Liefhebber. Want daar heb jij het natuurlijk ook alleen maar over.

Je verwijt mij dat ik een masker op houd, zelf weiger je te zeggen dat en waarom je eigenlijk zo woedend bent geworden na het zien van die voorstelling. Je vindt dat het stuk een andere titel moet hebben, je suggereert dat het een stuk over acteurs moet zijn, je schrijft dat ik een heel ander stuk had moeten schrijven, je identificeert mij met de titelrol uit het stuk en ziet mij vervolgens gaarne bekeerd tot het Rooms Katholieke geloof, en intussen bijt jij je een hele brief lang alleen maar in je eigen staart en wenst terloops Trudy de Jong wat vaker op de grotere podia aan te treffen. Liefhebber is een effektieve voorstelling want het gaat niet alleen over de paradox die goed toneel behoort te zijn, het is die paradox. Het is een poging het toneel kapot te maken en daardoor wordt het bij uitstek toneel. Het doet alle mogelijke moeite de werkelijkheid het toneel op te sleuren en het pijnlijke falen daarin maakt het tot toneel. Hoe ik dat weet? Door de toeschouwers die lachen, die huilen, die weglopen, die na afloop woedend op mij of de acteurs afkomen, die hun schouders ophalen omdat "het allemaal erg meeviel' en die ons brieven schrijven over Kafka, Beckett, de liefde die je niet kunt "hebben' en bij wijze van spreken over kristallen staven schuin omhoog in een marmeren ruimte.

Liefhebber veroorzaakt de nodige chaos, zoals kunst dat nu eenmaal moet doen. Het is aan de kunstcriticus te pogen die chaos te ontwarren, te structureren. De toneelcritici hebben daarin ook deze keer, op drie uitzonderingen na, glorieus gefaald. Laat mij nu pogen jouw chaos eens te ontwarren. Jij schrijft “De toneelspeler belichaamt immers een personage dat uitsluitend uit woorden bestaat, dus als woorden een afspiegeling van de werkelijkheid zijn, dan is de tonelist daarvan een afspiegeling in het kwadraat.” Dat is ten dele evident, een rol bestaat in eerste instantie uit een aantal woorden. De meeste van die woorden moeten worden uitgesproken door de rol of het personage, sommige woorden beschrijven gedrag of uiterlijk van de rol of het personage en zijn niet bedoeld om in het theater ook echt gehoord te worden. De woorden zijn het begin van een rol of van een toneelvoorstelling, maar de uiteindelijke toneelvoorstelling is veel meer en soms zelfs iets heel anders dan al die woorden bij elkaar. Je kunt op het toneel "ik hou van jou' zo zeggen dat het hele publiek begrijpt dat jij haar haat. Al wordt in Ritter Dene Voss voortdurend gesuggereerd dat het personage Voss behoorlijk krankzinnig is, je kunt het stuk zo spelen, en dat moet denk ik, dat het publiek begrijpt dat die "Voss' het minst krankzinnig is van alle drie.

In Liefhebber pleit het personage Liefhebber voor meer werkelijkheid op het toneel, hij celebreert het drama dat op straat voor het oprapen zou liggen. In de voorstelling zal het geen toeschouwer ontgaan dat de man blind en doof en afgestompt is, niet alleen voor het drama op het toneel, maar ook voor het drama op straat en al helemaal voor het drama in zijn eigen huiskamer. Waarom dat niemand, behalve jou kennelijk, ontgaat? Door wat er allemaal op het toneel gebeurt zonder woorden. Door wat er te zien valt, door wat er te ruiken valt, door wat er allemaal zweet en borrelt en kookt en ontploft. Door de zeer reële tekstloze ruimte waarin Liefhebbers woorden zich als een machteloze kunststofstaaf proberen op te richten. Jij bent teveel een schrijver om toneel nog als iets anders te beschouwen dan als iets dat geschreven is. Jij bent teveel een schrijver om stiltes ooit als veelzeggender te beschouwen dan woorden. Jij vindt een acteur zinnelijk als hij iets fraais weet te formuleren in een interview, ik vind een acteur fantastisch die mij ontroert hoewel hij een uur lang nagenoeg helemaal niets zegt op het toneel. Dan heb ik "even God gezien', hij was een junk. Jij verwijt Nederlandse acteurs dat ze zo belerend zijn, maar als een toneelvoorstelling even te complex dreigt te worden, reduceer je hem tot de gesproken tekst, wanhopig op zoek naar de lering.

En natuurlijk doe ik je hiermee groot onrecht want je raakt intussen maar niet uitgeschreven over die verliefde blik van Pierre Bokma in Penthesilea. Die blik, die stilte, die heeft hij bevochten op en door de woorden van Heinrich von Kleist. Dat is toneel.