Gezondheid te vaak ondergeschikt aan economie

Van oudsher hebben artsen oog gehad voor de betekenis van economische omstandigheden. Armoede en ziekte gaan hand in hand. Zelfs in het welvarende Nederland met zijn Bijstandswet, bestaan er nog forse inkomensafhankelijke verschillen in levensverwachting.

Tegen die achtergrond past het artsen voorzichtig te zijn bij de afweging van economische en gezondheidsbelangen. Want wat men door het mijden van risico's aan gezondheid denkt te winnen, kan men op termijn in de vorm van bijvoorbeeld afkalvende werkgelegenheid weer verliezen. Dat pleit ervoor dat gezondheidsdeskundigen zich niet slechts beperken tot het aanreiken van gegevens, maar gerechtigd worden vanuit hun eigen invalshoek conclusies te trekken. Dat het zover nog niet is bleek onlangs, toen een GGD-advies over de luchthaven Zestienhoven (Rotterdam Airport) en de GGD-bijdrage aan de milieueffectrapportage (MER) daarover, bij een deel van het Rotterdamse gemeentebestuur forse weerstand opriep.

Is gezondheid zo iets bijzonders dat het temidden van vele andere belangen een afzonderlijke afweging verdient? De Grondwet noemt zowel de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam als de plicht van de overheid de volksgezondheid te bevorderen, maar deze grondrechten kunnen soms strijdig zijn met andere grondrechten. Bovendien zijn inbreuken, bij wet geregeld, altijd mogelijk.

De Wet collectieve preventie volksgezondheid (1990) schept de verplichting voor gemeentebesturen om bij alle voornemens voor belangrijke besluiten met mogelijke collectieve gezondheidseffecten, de GGD advies te vragen. In de Memorie van Toelichting is, op aandrang van de Tweede Kamer, tevens opgenomen, dat de GGD in alle gevallen eigener beweging kan adviseren. Maar behalve deze formele overwegingen is er een zwaarwegend inhoudelijk argument. Bij economische afwegingen gaat het om in guldens te waarderen graduele verschillen, bij het afwegenn van de gezondheidsrisico's is de de kans op blijvende schade aan de orde.

Rapportage over milieu-effecten is bij grote plannen verplicht. Het milieu wordt een eigen waarde toegekend. Gezondheid daarbij onderbrengen is niet juist. Bij werkelijk grote operaties, zou een aparte Gezondheidseffectrapportage (GER) in de toekomst gewenst zijn. Ook de publieke belangstelling voor dat onderwerp rechtvaardigt een afzonderlijke benadering.

Op rijksniveau kan het Staatstoezicht op de volksgezondheid onafhankelijk adviseren. Veel bewindslieden hebben echter grote moeite met zo'n "ambachtelijke stoorzender'. Er is een lange geschiedenis van een gespannen verhouding tussen hoofdinspecteurs enerzijds en hun minister anderzijds. Daarentegen is er in de Tweede Kamer meestal steun voor het Staatstoezicht. Inspecties kunnen de gevolgen van verkeerd beleid signaleren. Zij zijn minder goed in staat de consequenties van beleidsvoornemens door te rekenen. Daartoe is met behulp van bijvoorbeeld scenariostudies het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne beter geëquipeerd. Een wettelijk zwaarder gefundeerde adviestaak, vergelijkbaar met die van de GGD, is aan te bevelen.

Het rijk heeft ook problemen met de relatie tussen economie en gezondheid. Zo is het "verslaafd' aan tabaksaccijnzen. Doordat de de tabakshandel en -industrie vaak optreedt als sponsor van projecten die de overheid eigenlijk zelf zou moeten betalen, wordt die afhankelijkheid nog groter. Uiteraard zou een reclameverbod geloofwaardiger zijn. Thans wordt echter, onder het mom van respect voor de vrijheid van meningsuiting en de angst voor paternalisme, reclame toegelaten, terwijl de overheid tegelijkertijd tegenreclame financiert. Toen staatssecretaris Simons enige tijd geleden pogingen deed om krachtig op te treden, werd hij onmiddellijk door het kabinet teruggefloten.

Op dit moment is de tabaksdiscussie in de Europese Gemeenschap actueel. Voor een verbod op reclame in de media heeft het Europees Parlement zich al in februari 1992 uitgesproken. In mei zal de Gezondheidsraad, bestaande uit de ministers voor volksgezondheid van de Europese lidstaten, een beslissin moeten nemen. Alle lidstaten zijn voor een verbod, behalve Duitsland, het Verenigd Koninklijk en Nederland, terwijl Griekenland nog aarzelt.

Nederland en Duitsland hebben in Europa een grote sigarettenindustrie. Nederland kan, als Griekenland voor het verbod stemt, de doorslag geven. Tabak vertegenwoordigt een niet gering economisch belang: niet alleen levert dit produkt belastingopbrengsten en werkgelegenheid op, maar als gevolg van vervroegde sterfte ook een vermindering van pensioenkosten. De extra kosten waarvoor tabak de gezondheidszorg plaatst, vallen daarbij in het niet.

Uiteraard is een dergelijke redenering inhumaan. Maar juist daarom is het nodig dat ook in de politieke arena het volksgezondheidsbelang met kracht naar voren wordt gebracht. Daarom was het CDA-plan om voor volksgezondheid een ministerspost te reserveren verstandig. Met een minister maakt de volksgezondheid in de economische jungle wellicht iets meer kans dan met alleen een staatssecretaris die bovendien nog meer taken in zijn portefeuille heeft.