Gekriebelekrats en gefriebelefrats

In Nederland anno 1992 wordt men objectief en op niveau berecht.

Dacht ik, geneigd zoveel mogelijk het beste van mens en samenleving te denken.

Vandaar dat ik met gemengde gevoelens kennisnam van de verschijning van het boek Dubieuze zaken, de psychologie van het strafrechtelijk bewijs, dat hardhandig de staf breekt over de Nederlandse rechtspraktijk. Ik verkeerde werkelijk in de veronderstelling dat de zittende en staande magistratuur definitief gezuiverd was van opgeblazen CHU-baronnen en reactionaire bittertafelfilosofen, zodat je - als delinquent - onbezorgd in de verdachtenbank plaats kan nemen.

Integendeel, zeggen de schrijvers. “De haren rijzen je te berge als je die dossiers bestudeert. Soms is de onschuld levensgroot aanwezig of is het bewijs gewoon gefabriceerd.”

Moeten wij dan tòch heimwee krijgen naar de tijd dat de rechters weliswaar maatschappelijk bevooroordeeld waren, maar tevens typische wikkers-en-wegers, die er niet aan zouden denken een ondeugdelijk bewijs te accepteren?

De CHU-baronnen en bittertafelfilosofen zijn inmiddels vervangen door bedaagde D66-ers en PvdA-centristen, mensen die niet snauwen en niet jijen-en-jouwen, maar blijkbaar behept zijn met een ongewenst bedrijfsmatige kijk op hun métier.

Zegt het boek "Dubieuze zaken'.

Niettemin zit er iets raars aan het onderzoek dat aan het geschrevene ten grondslag ligt. De auteurs analyseerden gedurende anderhalf jaar vijfendertig strafzaken waaraan "een luchtje' zat. Dat lijkt mij, statistisch en cijfermatig gezien, geen al te geslaagde aanpak, vergelijkbaar met de Consumentenbond die vijfendertig gloeilampen keurt die allemaal helemaal of half kaduuk zijn.

De auteurs van het boek Dubieuze zaken hebben deze kritiek voorzien. “Het gemak waarmee wij zaken met ernstige bewijsproblemen hebben kunnen verzamelen”, schrijven zij, “duidt erop dat dubieuze veroordelingen geenszins zeldzaam zijn. Zij mogen niet representatief zijn voor het merendeel van de strafzaken in ons land, zij vormen geen verwaarloosbaar randverschijnsel.”

Dubieuze Zaken is een boek dat je, gegeven de omvang (676 pagina's) en de gecompliceerdheid van de materie, eerst steeksproefsgewijs leest. Ik sloeg het boek open bij de case history van de Ierse industrieel die ontucht met twee meisjes, van vier respectievelijk zeven jaar, zou hebben bedreven. Hij werd overigens in hoger beroep vrijgesproken. Allicht, als je leest hoe de verbalisanten het proces-verbaal naar eigen inzicht hebben vervalst. Daarin stond oorspronkelijk dat de verdachte "beslist geen' vleselijke gemeenschap met de kinderen heeft gehad, hetgeen zij hebben veranderd in de formulering dat er "kennelijk' vleselijke gemeenschap heeft plaatsgevonden. Het is een onbegrijpelijk schandaal, vooral omdat de hiervoor verantwoordelijke functionarissen geheel vrijuit zijn gegaan. Of neem de reconstructie van de zaak tegen de tachtigjarige grootvader die zijn kleindochter zou hebben misbruikt. Had hij het kind over haar plassertje gestreeld? Het blijkt door de verbalisante te zijn verzonnen. Daarnaast was sprake van een orthopedagoge & psychomotorisch therapeute die het meisje zo langdurig aan het hoofdje heeft gezeurd over opa's vermeende gekriebelgekrats en gefriebelgefrats dat zij uiteindelijk gewoon ja zei, zij het zonder te weten waarop. De zaak is uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard. Niettemin is het leven van de man inmiddels verwoest. “Zijn dochter blijft in zijn schuld geloven en verbiedt hem de kleinkinderen te zien. Zijn eigen vrouw is zo onder de indruk van een echte doctorandus in de orthopedagogiek dat zij haar huwelijk na ruim vijftig jaar heeft verbroken.”

Het zijn affaires waar Perry Mason zich de vingers bij af zou likken. Het zijn daarnaast alle twee "dubieuze zaken' met de charme van de overzichtelijkheid. Het merendeel van de resterende voorbeelden is aanmerkelijk gecompliceerder, zó gecompliceerd dat je, al lezende, vrijwel zonder uitzondering denkt: Tja... Het is mogelijk... Vlekkeloos is de bewijsvoering niet... Een familievete... De getuigen spreken elkaar tegen... Het is nu eenmaal het milieu van rovers, geweldplegers en drugaddicts, getraind in de kunst de wrekende gerechtigheid een oor aan te naaien... Maar tòch, als je het mij vraagt, is de verdachte guilty as hell...

Er zit ongetwijfeld ook veel waars aan het onderzoek naar deze "dubieuze zaken'. De maatschappij moge op alle terreinen - het strafrecht, de politiek, het zuilenstelsel, de media - zijn geliberaliseerd, zij is tevens verhard. Waar ooit een gekneusd scheenbeen of een gejatte fiets als een grove overtreding gold, wordt dit thans als een pekelzonde gezien die niet of nauwelijks de moeite van het berechten waard is. Inmiddels worden winkels geplunderd en breinverdommend vergif gedeald, gemoord en verkracht, met de routine waarmee men naar de kapper gaat. Daar moet tegen worden opgetreden, door een rechterlijke macht die daar allang niet meer voor is geëquipeerd. Vandaar al die reorganisatieplannen van ex-minister Korthals Altes, nagevolgd door minister Hirsch Ballin. Met als consequentie, schreef het weekblad Intermediair een paar weken geleden, dat de termen "rechtsbedrijf', "efficiency' en "produktiviteit' steeds meer naar de letter worden gehanteerd. Ten koste van de kwaliteit van de rechtspraak, een van de slagaders van een behoorlijk ingerichte samenleving. “Ieder geschil verdient een eerlijke behandeling door een onafhankelijke, integere rechter. Rechtspraak mag niet verworden tot lopende-bandwerk.”

De auteurs van de betreffende studies stellen onder meer voor om nooit meer een anonieme getuige te horen, nooit meer medeverdachten tegen elkander uit te spelen ("Dan gaan ze liegen') en pas een getuige-deskundige in te schakelen als deze gepatenteerd betrouwbaar is verklaard. Bovendien zou het Openbaar Ministerie niet meer dwars kunnen liggen als de verdediging nadrukkelijk verzoekt een getuige op te roepen.

Dat lijken mij verstandige suggesties.

Daarnaast spreken de auteurs over de "karikatuur van de rechtsstaat', die inmiddels ontstaat, benevens het dreigend “afglijden naar een strafproces dat in een bananenrepubliek thuishoort”.

Dàt lijkt mij rijkelijk overdreven.

Denk ik.

Hoop ik.