Drie Spaanse exposities tonen Arabische invloeden

Al Andalus: las artes islamicas en España, tot 7 juni in het Alhambra van Granada, ma t/m za 9-21 u, zo 9-18. Daarna in het Metropolitan Museum, New York. El legado cientifico Andalusi, tot 21 juni in het Museo Arqueologico Nacional te Madrid, di t/m za van 9.30-20.30, zo 9.30-14.30. Reyes y mecenas, tot 1 juni in het Museo de Santa Cruz van Toledo, di t/m za 10-20, zo 10-14 u. Vanaf 3 juli, gewijzigd, in het kasteel van Ambras te Innsbruck.

Het jaar 1492 is natuurlijk nooit de waterscheiding geweest die politici zich wensten en die schoolboekjes dicteerden. Op 2 januari viel Granada en daarmee het laatste Arabische bolwerk in Europa, maar de invloed van moorse ambachtslieden en geleerden was daarmee niet plotseling verdwenen. Op 31 maart verordonneerden de katholieke koningen Ferdinand en Isabella de verdrijving van de joden, maar, al of niet bekeerd, bleven ze van belang voor de cultuur van Spanje. Op 12 oktober kreeg Columbus land in zicht, maar het nieuws van zijn ontdekking zou er nog maanden over doen om bekend te raken en de gevolgen waren pas goed te merken in de volgende eeuw. En al jaren vóór Spanje tot één rijk aaneen werd gesmeed en de Spaanse kroon zich met die van Oostenrijk verenigde, hadden Ferdinand en Isabella zich op de kunst van Italië en de Nederlanden georiënteerd die het hof van Karel V en Filips II zijn Europese allure zou geven.

Aan het herdenkingsjaar 1992 danken we een stortvloed van boeken, congressen en exposities over de gebeurtenissen van vijf eeuwen geleden; de huidige stand van de wetenschap en een tolerant cultureel klimaat relativeren het belang van de kalender. In de afgelopen weken zijn in Spanje drie belangrijke tentoonstellingen geopend die duidelijk maken dat de overgang van een door de Arabieren gedomineerde beschaving naar een Europees wereldrijk vooral een geleidelijke is geweest. Eigenlijk had er binnenkort ook één over de sefardische cultuur moeten beginnen, maar dat projekt is op politieke tegenstellingen afgeketst.

Al-Andalus, las artes islamicas en España heeft tot dusver de meeste aandacht getrokken, niet in de laatste plaats omdat de tentoonstelling is georganiseerd door het Metropolitan Museum van New York en men daar wel weet wat reclamemaken is. In het pompeuze voorwoord bij de catalogus kwalificeert Philippe de Montebello, de directeur van dit museum, de tentoonstelling en alles daaromheen dan ook afwisselend als "briljant', "uniek' (2x), "prachtig', "diep' (2x), "opmerkelijk' en "onschatbaar' en tenslotte als een “immens ingewikkelde transatlantische, ja zelfs wereldwijde onderneming”. Na zoveel lof vooraf kan het gebodene alleen nog maar tegenvallen.

Dat doet het dan ook, een beetje. Het Alhambra van Granada is op het eerste gezicht de ideale omgeving om aan de hand van grote en kleine kunstvoorwerpen uit meer dan zeventig verschillende verzamelingen te laten zien wat er zo bijzonder was aan de Arabische cultuur op Europese bodem. Het gebouwencomplex is op zichzelf al een bewijs voor de nog eeuwen aanhoudende invloed die de moorse ambachtslieden hebben gehad, want nadat Boabdil het verlaten had en Ferdinand er zijn intrek nam, liet de katholieke koning het meteen al door de vaklieden van zijn voorganger onderhouden en opknappen. Tot ver in de negentiende eeuw is er aan de zalen, de muren, de torens en de tuinen vermetseld, gegraven en verspijkerd. Wat er nu staat is een verre van stijlzuiver maar daarom niet minder adembenemend geheel. In de piekfijn gerestaureerde zalen met hun kunstige galerijen en rijkbewerkte plafonds vallen de gebarsten schalen, de halfvergane tapijten, de wapens, manuscripten en juwelen van de tentoonstelling echter een beetje weg. Ze lijken te klein, of hun imponeergehalte is onvoldoende groot.

Dat is jammer, want wie zijn neus tot vlakbij de vitrines brengt, ontdekt dat juist het kleinste doosje uit de uitzet van de dochter van Abdelrahman III het mooiste ivoorsnijwerk bevat en dat een lapje uit het begin van de twaalfde eeuw kleuren en motieven heeft die langdurig de aandacht waard zijn. Ook het kwetsbare textiel is bewaard gebleven doordat latere, christelijke bezitters er onmiddellijk de waarde van inzagen. Vaak verwerkten ze het opnieuw, in de voering van een mantel, tot kussen of zelfs in religieuze gewaden en voorwerpen. Zo bouwden de Arabieren ook geroofde kerkklokken om tot moskeelampen - maar dat past al beter in het beeld van voortdurende gewapende confrontaties aan twee kanten van een christelijk-islamitische demarcatielijn. De tentoonstelling maakt juist zeer helder duidelijk dat zo'n scherpe grens er lange tijd niet was. Vooral in de eerste vijf eeuwen van de moorse overheersing waren er ook handelscontacten en werden er zelfs bondgenootschappen gesloten.

Het is een verdienste van de tentoonstelling in het Alhambra dat de verschillende tijdperken in de Arabische overheersing en hun kenmerken duidelijk zichtbaar worden gemaakt. De dikke catalogus (zowel in het Engels als in het Spaans te verkrijgen) geeft gedegen introducties en niet alleen een toelichting op het geëxposeerde maar ook op het Alhambra, de moskee van Cordoba, het paleis van Medina Al-Zahara en andere bouwwerken die door middel van enorme kleurenfoto's in de expositie zijn gerepresenteerd. Voor de Europese bezoeker was dat niet zo nodig geweest, want wie naar Granada reist haalt ook Cordoba nog wel. Het Amerikaanse publiek, dat straks rauw kennismaakt met Arabisch Spanje, is er natuurlijk zeer mee gediend.

Is Al Andalus een aardige eerste kennismaking, El legado cientifico Andalusi lijkt me meer bedoeld voor specialisten. In het Arabische Spanje bloeiden behalve de kunsten ook de wetenschappen, maar het één valt moeilijker te tonen dan het andere. Het Archeologisch Museum heeft niettemin een dappere poging gewaagd. Probleem hierbij is, dat de meeste resultaten van Spaans-Arabisch denkwerk slechts zijn overgeleverd in de vorm van manuscripten, die de gemiddelde bezoeker niet lezen kan. De inrichters hebben geprobeerd dit te ondervangen door naast een aantal overgeleverde instrumenten, vooral astrolabia, ook replica's en modellen op te stellen. Zo is er een kast vol griezelige gereedschapjes voor de meest uiteenlopende chirurgische doeleinden, van het doorzagen van botten tot het verwijderen van dode foetussen, die door een Duits museum zijn gemaakt aan de hand van een middeleeuws Andalusisch handschrift. Ook de werking van bevloeiingsinstallaties en fonteinen wordt in reconstructies gedemonstreerd en bij een enkel meetkundig principe is een computersimulatie opgesteld. Boeken en kaarten vormen echter het hoofdbestanddeel van de expositie.

Aan de indeling naar wetenschapsgebieden gaat, zowel in de museumzalen als in de (uitvoerige, Spaanstalige) catalogus, een inleiding vooraf waaruit, alweer, blijkt dat de Arabieren niet eenvoudigweg een hoge beschaving vanuit Afrika naar Europa brachten. De krijgslieden die als eersten de oversteek maakten, moesten het aanvankelijk vooral doen met de resten van de romeinse en visigothische wetenschappelijke kennis, zoals de ijverige monnik Isidorus van Cartagena ze onder andere had vastgelegd. Dat blijkt uit latijnse kaarten en teksten waar toelichtingen in het arabisch bij zijn gemaakt. Pas toen de Arabieren zich eenmaal goed gevestigd hadden, kwam de import van kennis uit het Midden-Oosten op gang en in een later stadium exporteerden de nieuwe centra van wetenschap hun vondsten en verslagen ook weer naar Afrika terug. Tot aan het einde van de Arabische heerschappij blijft men echter teksten in twee of zelfs vier talen vervaardigen.

Joodse geleerden, die in sommige gevallen het hebreeuws voor godsdienstige zaken gebruikten en aan het Arabisch de voorkeur gaven voor hun wetenschappelijke werk, traden als vertalers en bemiddelaars op. Aan deze meertalige teksten is het te danken dat niet alle Arabische geleerdheid na 1492 verloren ging.

In de jaren 1494 en 1495 maakte de Duitser Thomas Münzer in opdracht van keizer Maximiliaan van Oostenrijk een verkenningstocht door Spanje. In Barcelona, Toledo, Sevilla en Granada kreeg de gezant een pracht en praal te zien die, zo meldt zijn reisverslag, nergens anders in Europa bestond. Het was in de eerste plaats moorse pracht en moorse praal die zo'n indruk op de Duitser maakte. Niet alleen sliep hij op de zijden kussens van de arabieren in hun karakteristieke paleizen, zijn Spaanse gastheren zetten hem ook zoet gebak volgens arabisch recept voor en vermaakten hem met arabische zang en dans. Een jaar later trouwde Maximiliaan's zoon Filips de Schone met de Spaanse koningsdochter Johanna, die na zijn vroegtijdige dood waanzinnig zou worden. Hoogtepunt van de festiviteiten die bij een ontvangst voor het paar in Toledo werden georganiseerd, was een tournooi waarbij alle aanwezige edelen zich op hun fraaist kleedden: in oosterse gewaden dus, met tulband op en kromzwaard om. Christelijke luxe bestond nog niet.

Het huwelijk leidde tot het ontstaan van een katholiek wereldrijk dat Spanje, Oostenrijk, stukken van Duitsland en Italië, de Nederlanden en het grootste deel van de Nieuwe Wereld zou omvatten. Welke gevolgen dat had voor de Spaanse cultuur wordt nu getoond in een indrukwekkende tentoonstelling in het Palacio de Santa Cruz van Toledo. De kern van deze expositie verhuist begin juli naar Innsbruck, waar zij wordt aangevuld zodat het accent zal komen te liggen op de invloed die Oostenrijk onderging van Spanje nadat de Habsburgers hun hof naar het zuiden hadden verplaatst en voordat Karel V in 1522 de Oostenrijkse erflanden afstond aan zijn broer Ferdinand.

Ook hier wordt duidelijk dat veranderingen niet van de ene op de andere dag tot stand komen. Het blijkt bovendien niet zo te zijn, dat de arabische invloed in Spanje nu vervangen werd door een midden-Europese. De zaak zit ingewikkelder inelkaar. Al geruime tijd vóór zijn verovering van Granada beklaagde Ferdinand van Aragon zich erover dat er aan zijn hof zo weinig portretschilders te vinden waren en in dat gemis werd vervolgens voorzien door het aantrekken van kunstenaars uit Italië en, in mindere mate, uit Duitsland en de Nederlanden. Van Ferdinand en Isabella zijn dan ook uiteindelijk veel meer afbeeldingen overgebleven dan van hun voorgangers. Toch richtten de twee hun culturele inspanningen in de eerste plaats op de kerk, die tegelijkertijd de legitimering van hun macht was en een middel om hun aanzien te vergroten.

Zij stichtten dus kloosters en verfraaiden kathedralen, waarop hun wapenschild prominent werd aangebracht. Van de Oostenrijker Maximiliaan leerden ze hoe een vorst zijn konterfeitsel ook rechtstreeks als politiek propagandamiddel kan gebruiken: door zichzelf te pas en te onpas te laten afbeelden, voorzien van de tekenen van koninklijke waardigheid.

Het herfsttij der middeleeuwen en het begin van de renaissance zijn tijdperken die grotendeels samenvallen en de katholieke koningen hebben aan beide deel. Zij zijn religieus en werelds, moors-luxueus en sober-christelijk, beïnvloed door Italianenen en Nederlanders, verzamelaars van rijkdom en kunstcollectioneurs, lezers van handschriften en kopers van boeken. Hun edellieden (de Fonseca's, Mendoza's, Santillana's, Cisneros' en Borgia's) hoeven niet meer iedere dag te vechten en worden bestuurders en mecenassen.

De tentoonstelling in Toledo probeert orde te scheppen in deze reeks politieke en artistieke ontwikkelingen die tegelijkertijd plaatsvonden en elkaar soms versterkten, dan weer tegenwerkten. Zij slaagt daarin, ondermeer door een opstelling waarin handig gebruikt is gemaakt van de kruisvorm van het Palacio de Santa Cruz, dat in 1504 in opdracht van een kardinaal Mendoza door een Vlaamse en een Spaanse bouwmeester samen werd gebouwd.

Maar ook wie er niet direct op uit is de verknoopte lijnen van dit tijdperk te ontwarren, kan uren doorbrengen met het bekijken van de kunstwerken afzonderlijk. Er is natuurlijk werk van Van der Weyden en Dürer, maar de meeste schilderijen en beeldhouwwerken zijn van tamelijk onbekende of zelfs anonieme meesters. Des te verrassender is hun hoge kwaliteit. Van Isabella's hofschilder Michel Suttow, een Est, had ik bijvoorbeeld nog nooit gehoord; toch zijn een paar van de opvallendste stukken op deze tentoonstelling van zijn hand. Ook minder in het oog lopende voorwerpen, zoals een eenvoudige uitgaafje van Erasmus' Antibarbarorum, blijken nog verrassingen te bevatten; in dit geval een handgeschreven opdracht van Erasmus aan de zoon van Columbus.

De catalogus, ruim zeshonderd bladzijden in schitterende kleurendruk, is bijna overcompleet en, zoals encyclopedieënverkopers plegen te zeggen, “een bezit voor het leven”. Maar de tentoonstelling zelf is nog anderhalve maand te bezoeken en in dit voorjaar van 1992 een omweg, desnoods een lange omweg, waard.