Draaiboek bij rampen is prima, maar de praktijk is anders;

ROTTERDAM, 17 APRIL. Radioactieve besmetting, ontsnappend gifgas, watersnood, stormschade, neerstortende vliegtuigen, grote explosies, omvangrijke branden en nu ook nog aardbevingen. Dat zijn de rampen waartegen Nederland zich moet wapenen. Enkele tientallen ambtenaren hebben er een dagtaak aan. De activiteiten variëren van dienstdoen in het permanent bezette berichtencentrum van het Nationaal Coördinatie Centrum (NCC) tot beleidsbeslissingen over gratis bellen van het landelijk alarmnummer 06-11 uit telefooncellen; een service die het niet heeft gehaald om het veelvuldig misbruik te beperken.

Bij het NCC, gehuisvest bij Binnenlandse Zaken, moeten calamiteiten van welke aard dan ook worden gemeld. Het ministerie van binnenlandse zaken coördineert de rampenbestrijding. Wat is een ramp? De wetgeving op dit terrein spreekt heel algemeen van: "slachtoffers, schade en de noodzaak van gecoördineerde inzet van diensten'.

Vanuit die definiëring was de beslissing van het crisisteam in Roermond juist. Maandagochtend werd bepaald dat er niet kon worden gesproken van een ramp; er waren geen doden en een "gecoördineerde inzet van diensten' was niet aan de orde.

Dr. M. van Duin van het Crises Onderzoek Team (COT) van de Rijksuniversiteit van Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam is het niet eens met die conclusie. “Door zo'n rigide definitie kwam het crisisteam in Roermond aanvankelijk tot niets”, zegt hij. “Daardoor ontstond de werkelijke crisis niet door de aardbeving, maar door de reactie daarop van het bevoegd gezag. Nu ontstond een situatie van collectieve stress: veel onduidelijkheid en leed voor de getroffen burgers had kunnen worden voorkomen als onmiddellijk de omvang van de schade was onderkend. Coördinatie tussen bestuurders en verzekeringsmaatschappijen was dan eerder op gang gekomen. Nu heeft dat dagen geduurd.”

Van Duin vindt "een situatie van hevige collectieve stress' een betere omschrijving voor een ramp dan de definitie in het wetboek. “Tsjernobyl is het sterkste voorbeeld van collectieve stress”, licht hij toe. “Langdurige dreiging van radioactieve besmetting voor enorme groepen mensen maakte het ongeluk in die kerncentrale tot een ramp voor een groot deel van de wereld.”

Tsjernobyl (april 1986) was in Nederland aanleiding tot het ontstaan van het Nationale Plan Kernongevallen Bestrijding. Er werd een groot beroep gedaan op het laboratorium voor stralingsonderzoek van het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne dat in het kader van stralingproblemen voordien al een duidelijk aangewezen plaats had bij kernongevallenbestrijding. Permanent zijn er deskundigen bereikbaar die bij calamiteiten afreizen naar Den Haag. Binnen het NCC vormen zij dan samen met mogelijke deskundigen op andere terreinen een technische informatiegroep.

Daarnaast wordt het NCC in die situatie ondermeer uitgebreid met een beleidsteam bestaande uit de Directeuren-Generaal of de ministers van de betrokken ministeries. Ook gaat er een nationaal voorlichtingscentrum aan het werk, onder verantwoordelijkheid van de hoofddirecteur van de RVD, mr. M.J.D. van der Voet. Bij nationale rampen spelen in ieder geval een rol: Binnenlandse Zaken (orde en veiligheid), WVC (volksgezondheid), VROM (milieu), Justitie (strafrechtelijke aspecten) en Algemene Zaken (coördinatie van beleid). De betrokkenheid van andere ministeries wordt bepaald door de aard van het ongeval. Zo is bij een ramp op zee Verkeer en Waterstaat verantwoordelijk voor de bestrijding en de voorlichting.

De omvang van een ramp bepaalt waar de eerste verantwoordelijkheid ligt. Als slechts één gemeente is betrokken bij de ramp, heeft de burgemeester de verantwoordelijkheid. En zo omhoog: van intergemeentelijke coördinatie in de regio's, via de provincie en het ministerie van binnenlandse zaken tot in laatste instantie de minister-president.

Dat een calamiteit in een beperkt gebied zowel op regionaal niveau wordt bestreden als op landelijk niveau publicitair wordt begeleid, is denkbaar. Bij orkaandreiging bijvoorbeeld zullen preventieve maatregelen en bestrijding van eventuele gevolgen zich afspelen in lokale situaties, terwijl de waarschuwingen landelijk worden gegeven. Het neerstorten van de F16 op een woonwijk bij Hengelo begin februari is een tweede voorbeeld: de gevolgen werden regionaal bestreden terwijl het ministerie van defensie de (internationale) pers- en publieksvoorlichting in handen had.

De gang van zaken bij een kernongeval is in Nederland geregeld bij wet, en die bij alle mogelijke andere rampen is vastgelegd in procedures en informatielijnen, maar berust op niet meer dan afspraken. In 1986 hebben de ministeries van VROM, WVC en Landbouw zich vooral beziggehouden met de problematiek rond de kernramp in Tsjernobyl. “Na een aanloopperiode van een paar dagen werkte dat goed”, zegt woordvoerder V. Steultjens van VROM. Of de hierboven aangegeven nieuwe structuur zal voldoen bij calamiteiten, is niet aan te geven. Insiders noemen de opzet log, nagenoeg alle ministeries zijn er nu bij betrokken en ongetwijfeld willen ze ook allemaal meepraten. “In de oefeningen functioneert de structuur goed”, aldus de woordvoerder. Er is de laatste twee jaar behoorlijk genvesteerd in opleiding en training.”

Het opzetten van de huidige structuur heeft zes jaar geduurd. Met name het uitwerken van de regionale plannen in de omgeving van de Nederlandse kerncentrales in Borssele en Dodewaard en de dichtbij gelegen centrales in Emsland (Duitsland) en Doel (België) heeft veel tijd gekost. “Er zijn veel partijen bij betrokken”, zegt de woordvoerder van VROM. “En in het nationale plan kernongevallenbestrijding zijn uitgangspunten opgenomen waaraan de regionale plannen moeten voldoen. Er gaat veel werk zitten in het maken van draaiboeken. Pas dan wordt bepaald in welk gebied de mensen moeten worden gewaarschuwd en waar het uitdelen van jodiumpillen moet worden voorbereid. Dat levert dan weer problemen op, omdat zo'n gebied volstrekt niet parallel loopt met politie- en brandweer-regio.”

Dr. M. van Duin van het COT is gepromoveerd op de dissertatie "Van rampen leren, een vergelijkend onderzoek naar spoorwegongevallen, hotelbranden en industriële ongelukken'. Een van de conclusies in dat proefschrift luidt dat de overheden vooral leren als het gaat om het voorkomen van rampen, maar als het eenmaal mis gaat, blijkt adequaat reageren iedere keer opnieuw een probleem. Van Duin was maandag in Roermond. Aan de hand van wat hij daar aantrof, ontleent hij niet de behoefte die conclusie bij te stellen.