De Tuareg willen nu eindelijk erkenning

Oude wonden genezen niet snel. De Tuareg mogen een akkoord hebben bereikt met de regering van Mali, waartegen jaren oorlog is gevoerd, dat akkoord neemt in de oases van de Sahara de vijandschap nog niet weg tussen de nomaden en de zwarte boeren, die in het verleden als horige slaven zijn behandeld. Ook binnen de Tuareg-gemeenschap zelf heerst verdeeldheid: liefst drie "bevrijdingsbewegingen' strijden voor de zaak van de Tuareg. De afgelopen maanden zijn naar schatting 25.000 mensen voor het geweld op de vlucht gegaan.

TAMANRASSET, 17 APRIL. Sinds tien jaar hebben de Sahara en de Sahel er niet zo groen uitgezien, zeggen de bewoners. De overvloedige regens van de afgelopen maanden hebben grote stukken woestijn omgetoverd in grazig steppeland. Langs de woestijnpistes die de Sahara doorkruisen, staan de doornstruiken van de Zilla spinosa en de kogelronde bosjes Pulicaria crispa grecia al sinds de late herfst in bloei. De oases leveren dit jaar de beste dadeloogst op sinds mensenheugenis en de vele brakke of zilte bronnen zijn eindelijk zoet.

De enigen waarop het uit de hemel gevallen manna tot nu toe geen vat scheen te hebben, zijn de Tuareg. Met duizenden tegelijk trekken zij weg uit de Sahel, naar Mauretanië en Algerije. Of het onlangs gesloten akkoord tussen de regering in Mali en de voornaamste opstandige Tuareg-beweging in dat land, de Mouvement Populaire de l'Awazad (MPA), daaraan een eind maakt is de vraag.

Want, hoe vervelend dat voor de opstellers van het akkoord ook is, nergens in de Sahel is tot nu toe een goede oplossing gevonden voor het probleem blanke veetelers sociaal en politiek in één staatsverband te integreren met zwarte landbouwers. De geschiedenis van de confrontatie tussen die twee culturen is daarvoor misschien te recent en te beladen. De rondtrekkende nomaden herinneren zich vol spijt hoe de zwarte boeren ooit hun horige slaven waren, terwijl de boeren niet van plan zijn te vergeten hoe zij vroeger door hun veetelende meesters werden behandeld.

Niet alleen Mali en Niger worstelen met dat probleem, de burgeroorlogen in Tsjaad en Soedan zijn om die reden begonnen. De politieke moeilijkheden tussen Mauretanië en Senegal en in Mauretanië zelf zijn daarop terug te voeren. Ook het gewapende conflict tussen de Tuareg en de zwarte regeringen in Mali en Niger is er een uitvloeisel van.

Binnen de Tuareg-gemeenschap in Mali bestaan daarom heftige meningsverschillen over de afspraken die met de regering zijn gemaakt. Begin vorig jaar, toen de MPA en afgevaardigden van Mali in het Algerijnse Tamanrasset onderhandelden, leidde dat al tot grote verdeeldheid in de Tuareg-gelederen. Toen begin februari dit jaar in Algiers tussen Mali en het MPA de wapenstilstand werd getekend, gingen in diverse vluchtelingenkampen in Zuid-Algerije aanhangers van de MPA op de vuist met aanhangers van het concurrerende FPLA, het Front Populaire de Libération de l'Awazad. De leider van het FPLA, Rhissa ag Sidi Mohammed, was tegen het bestand en beschuldigde de aanvoerder van de MPA, Iyad ag Ghali, van verraad.

Zoals meestal in de Afrikaanse politiek spelen clan- en stammentegenstellingen een belangrijke rol in het conflict tussen MPA en FPLA. De MPA recruteert zijn leden vooral onder de Tuareg-stam in oostelijk Mali, met als bolwerk de rotskloven waarin de kronkelende wadi's van het Adrargebergte. Het FPLA is voor zijn aanhang vooral aangewezen op de steun onder de Tuareg van West-Mali. In dat gebied is nog een derde "bevrijdingsbeweging' actief, het Front Islamique de l'Azawad, FIA. Die beweging recruteert zijn aanhang behalve onder Tuareg ook onder de plaatselijke Moorse nomadenstammen. Beide gebruiken, als dat zo uitkomt, Mauretanië als toevluchtsoord en uitvalsbasis en krijgen, alweer als dat zo uitkomt, steun vanuit Mauretanië.

Hoeveel Tuareg naar Algerije zijn uitgeweken is niet te schatten. In Algiers zelf wordt gesproken over twintig- tot vijftigduizend. Maar de Algerijnse autoriteiten spreken liever niet van vluchtelingen. “Het gaat om een probleem van voorbijgaande aard”, aldus een Algerijnse politiefunctionaris die in Tamanrasset voor orde en rust in naburige kampen verantwoordelijk is. “Het zijn geen echte vluchtelingen. Het gaat om mensen die tijdelijk zijn uitgeweken.”

Zijn collega in Reggane, honderden kilometers naar het westen, is nog lakonieker. “Zolang ik hier zit, zijn er mensen over die grens heen en weer getrokken. Die grens is een vergiet. Wat wilt u? Hoe kunnen wij in 's hemelsnaam een grens van 1.500 km zand, rotsen en stenen afgrendelen? We proberen de voornaamste grensovergangen onder controle te houden, maar wie Algerije via de Sahara echt binnen wil, kunnen wij niet tegenhouden.”

De algemene indruk, ook in de kampen zelf, is dat de toevloed van vluchtelingen afneemt. Dat is maar goed ook, want de situatie is er bedroevend. Volgens de Tuareg zelf zijn de afgelopen maanden 25.000 nieuwe vluchtelingen Algerije binnengestroomd: honderd families hier, zeshonderd families daar, zeker tweehonderd bij de Algerijns-Nigerse grenspost Ain Guezzam. Bij het nomadenkampement Bordj-Mokhtar, aan de Algerijns-Malinese grens 400 kilometer ten noorden van Gao, houden vijfduizend Tuareg, voornamelijk vrouwen en kinderen, zich met moeite in leven. In plaats van in de fraaie lederen tenten die de trots van de noordelijke Tuareg vormen, huizen zij onder tochtig linnen en canvas, die geen enkele beschutting bieden tegen de bitterkoude woestijnnachten. De schaarse regerings- en internationale hulp wordt aangevuld met hulp van hun Algerijnse Tuareg-broeders en van de Noordalgerijnse Kabylen, die in de Tuareg Berberse lotgenoten zien. Veel Kabylen menen dat die Tuareg in hun strijd tot behoud van het onvervalste Berberdom gesteund dienen te worden.

“De zaak van de Tuareg is natuurlijk ook onze zaak”, aldus een van de Kabylische hulpverleners in Bordj-Mokhtar. Hij is in de vroege herfst gearriveerd, na een moordende tocht per vrachtauto over de 800 kilometer lange woestijnpiste die vanaf de provinciehoofdstad Adrar door het zand en de duinen van de Tanezrouft loopt. De Tanezrouft geldt als een van de droogste gebieden in de Sahara. Zijn vrachtauto zat vol met hulpgoederen, bijeengebracht door de bewoners van de Kabylische bergen ten oosten van Algiers. Hij heeft de tocht inmiddels al tien keer gemaakt.

“Veel van de hulpgoederen waren oorspronkelijk bestemd voor Irak. Toen wij van de Tuareg-vluchtelingen hoorden, zeiden wij tegen elkaar: Irak? Wat hebben wij met Irak te maken? Laten de Arabieren daar maar voor zorgen. Wij geven onze ingezamelde spullen aan de Tuareg. Dat zijn tenslotte onze echte broeders.”

De zichtbare interesse van de Noordalgerijnse Berbers voor de Tuareg stelt de autoriteiten in Algiers voor de nodige problemen. Dat is wel eens anders geweest. De Arabisch-nationalistische leiders van het Algerijnse bevrijdingsfront FLN waren bepaald niet pro-Tuareg of pro-Berber. Hunnerzijds zagen de Tuareg-leiders in Algerije niets in het door het FLN gepredikte socialisme. Zij voelden haarfijn aan dat de machtsovername door het FLN onherroepelijk zou leiden tot emancipatie van de duizenden aan de Tuareg-adel onderhorige zwarte oaseboeren, waarop de Tuareg-economie eeuwenlang steunde.

Zij kregen onmiddellijk gelijk. Luttele weken na de onafhankelijkheid ontnamen de nieuwe Algerijnse autoriteiten de leider van de Algerijnse Tuareg, de Amenakal, het uiterlijke teken van zijn waardigheid, de grote trommel. Met een pennestreek emancipeerden zij de zwarte horigen, legden de Tuareg een gedwongen sedentarisatie op en verboden verdere karavaantochten. De toenmalige Algerijnse president Ben Bella sloot zelfs een vergaand akkoord met zijn Malinese collega Mobido Keita ter beteugeling van het Tuareg-gevaar. Het Malinese leger kreeg toestemming de Tuareg tot diep in Algerije te achtervolgen en Algerije leverde vervolgens de militaire leider van de opstand aan Mali uit.

Dat maakte een eind aan de verbeten strijd die enige honderden gewapende Tuareg van 1962 tot 1964 in het grensgebergte van de Adrar n'Iforhas tegen Keita's troepen voerden. Tussen 1962 en 1992 ligt echter een nieuwe generatie en de huidige machthebbers in Algiers hebben andere problemen aan het hoofd.

Voor de Tuareg komt de steun van de Noordalgerijnse Berbers op het juiste moment. Men mag zich zelfs afvragen of de problemen rond de Tuareg en die rond de Algerijnse Berbers niet een onderdeel vormen van de in heel Noord-Afrika bespeurbare neiging het Berberse erfgoed te onderstrepen ten koste van het Arabisch-islamitische. Zelfs in Tunesië, waar nog niet één procent van de bevolking een Berberse taal spreekt, begint bij Tunesiërs “Berberité” een geliefd onderwerp van discussie te worden.

De Tuareg maken van die toenemende belangstelling voor het Noordafrikaans-Berberse erfgoed een dankbaar gebruik. Het stelt hen in staat de feodale en racistische trekjes die hun opstand heeft onder tafel te vegen. “Het gaat ons om erkenning van onze eigen Berberse identiteit”, aldus een jonge Tuareg in Tamanrasset. “Nee, dat heeft niets met ras of kleur te maken. En het gaat ook niet over Mali of Niger. Het gaat om alle Berbers.”

Drie Noordalgerijnse Kabylen vallen hem bij. “De Arabieren beweren dat wij geen schrift hebben, dat we niets zijn. Zij zeggen dat wij onbeschaafde wilden waren voordat zij hier de islam brachten. Daar is niets van waar, kijk maar.” Zij wijzen trots naar een groot uithangbord boven de deur van een reisbureau aan de overkant, waar in het Arabisch, het Frans en het Berberse Tamazigh trektochten door het Algerijnse Tuareg-gebied worden aangeprezen. Het Tamazigh is geschreven in de tifinagh, het oude alfabet van de Tuareg.

“Ziet u dat Berberse alfabet?”, roepen zij. “Ziet u dat we wel degelijk een eigen alfabet hebben? Dáár gaat het om. We willen erkenning als Berber, of we nu Tuareg, Kabylen of wat dan ook zijn. Dat alfabet, dat is onze cultuur. Dat is het symbool van onze strijd!” Van de feodale, om niet te zeggen gekleurde ondertonen van het Tuareg-verzet in Mali en Niger willen zij niet horen. “Men heeft u voorgelogen, monsieur”, roepen zij boos. “Niet zij, maar wij worden gediscrimineerd!”

Acht uur rijden noordelijker, aan de rand van de grote oase Ain Salah, zitten de volgende dag drie andere Tuareg te wachten op de bus naar Reggane. Zij komen uit Hajji Messaoud, waar zij in de olie-industrie werken. “Bent u daar geweest”, vragen zij, en zij wijzen de straat in die naar het centrum van Ain Salah loopt. “Wij niet hoor. Wat moeten wij daar nu? Wij zouden er niet eens welkom zijn.”

Zij zwijgen even en kijken naar drie zwarte medeburgers die de bus naar Tamanrasset inklimmen. “Als die hun zin zouden krijgen, wappert hier morgen niet de Algerijnse, maar de zwarte vlag”, menen zij en schudden schamper het hoofd. “Vroeger was Ain Salah van ons. Maar de regering heeft het van ons afgepakt. Nu is het van die negers. Is dat niet onrechtvaardig?”