De Expo van de Goede Smaak; De laatste Wereldtentoonstelling in de twintigste eeuw

De aarzelingen over de Wereldtentoonstelling in Sevilla die 20 april open gaat waren groot. Wat heeft het voor zin om op één plek een ontmoeting van honderden verschillende culturen te organiseren, als we televisie hebben om de wereld bij ons thuis te brengen? De organisatoren hebben er iets op bedacht. De tentoonstelling is meer dan ooit een proeftuin voor geavanceerde architectuur. “Zolang de driedimensionale communicatie nog in de kinderschoenen staat, moet je er zelf heen om je te verbazen over wat er allemaal te bouwen valt.”

Op een zondagmiddag voor het begin van de Wereldtentoonstelling - de laatste, de grootste van de eeuw - loop ik door het Maria Luisa-park van Sevilla. De zon schijnt, bootjes met vrolijke mensen dobberen in de gracht voor het Paviljoen van Spanje, vogels fluiten, honden blaffen, er wordt ordeloos genoten van een mooie dag.

Het Maria Luisa-park is het terrein van de grote Ibero-Amerikaanse tentoonstelling van 1929, maar wie niet in Sevilla woont om er zondagmiddagwandelingen te maken is allang vergeten dat er ooit een dergelijk evenement heeft bestaan. Tussen de hoge bomen staan de paviljoens van Mexico, Venezuela, Guatemala en zo verder. Stuk voor stuk gebouwen die niet hebben kunnen beslissen of ze een villa waren of een overheidsgebouw en er statig tussenin zijn blijven hangen. In sommige is een klein museum gevestigd, een consulaat of een rustig kantoor. Andere zijn bezig te vervallen. Tegels zijn uit de gevel gewaaid, luiken klapperen in de voorjaarsbries. Heeft de tijd alle nationale verschillen overwoekerd en van een toernooiveld der naties een vriendelijk stadspark gemaakt? Of wilden ze destijds allemaal ongeveer hetzelfde zeggen en hebben ze daarom gelijksoortige façades opgericht?

De tentoonstelling van 1929 heeft diepe wonden geslagen in Sevilla. Ze was bedoeld om de stad vanwaaruit Columbus in 1492 zijn historische missie begon en waar in de zestiende eeuw het goud met scheepsladingen tegelijk werd aangevoerd, iets van haar vergane glorie terug te geven. Tegelijkertijd moest ze duidelijk maken dat Spanje, ondanks het verlies van de laatste overzeese bezittingen in de oorlog van 1898, nog altijd de moeder was van de Ibero-Amerikaanse gemeenschap. Het werd een fiasco. Door de beurskrach moest ze overhaast haar poorten sluiten.

Aanvankelijk had de tentoonstelling al in 1914 moeten opengaan, maar de grootse opzet, de Eerste Wereldoorlog, het geldgebrek en wat al niet meer zorgden voor vertraging op vertraging. Duizenden dagloners verlieten het platteland om werk in de bouw te vinden en toen het werk op was werden ze straatarme stadsbewoners voor wie geen huizen waren neergezet. Heliopolis, de villawijk die speciaal voor de rijke tentoonstellingsbezoekers was bedacht, stond leeg maar ging de mogelijkheden van hun beurs te boven. Je kon er tot ver in de jaren zestig voor een paar duizend gulden magnifieke huizen kopen. Tot 1972 betaalde het gemeentebestuur de schulden van 1929 af.

Eigenlijk kan me dat geen donder schelen. De Sevillanen ook niet, daarvan ben ik overtuigd. Ze eten ijsjes, ze drinken kleine kopjes koffie en doen kunstjes op mountain bikes in de lange lanen van het park. Ik ben er heengegaan om niet meteen naar de nieuwe Wereldtentoonstelling te hoeven. Die ligt op loopafstand, langs de Guadalquivir, tegen de flank van het oude centrum, en heeft de stad opnieuw beloofd dat ze haar zestiende-eeuwse roem herwint. Weg rust. De Expo wordt door de stad, voorzover dat gaat, liefst genegeerd.

Wie langs de Guadalquivir naar het noorden kuiert, krijgt het terrein van de tentoonstelling al na een klein half uur in zicht. Het ligt op een kunstmatig eiland, na de oorlog gemaakt in één van de vele pogingen om door aftakking en kanalisering de overstromingen van de rivier te voorkomen. De spoorlijn die langs de rivier liep is in de afgelopen jaren verlegd en daardoor is - zo heet dat in het dieventaaltje van de planologen - een havenfront voor de stad teruggewonnen - en niemand kan ontkennen dat dat even nutteloos als prachtig is. Ik schuifel mee in de zondagse pantoffelparade, aan mijn rechterhand de stad met zijn oude, gele muren en de milde gekte van de Andalusische barok, links een skyline van ronde, hoekige en langwerpige gebouwen in zilver, blauw en allerlei fraaie pastelkleuren waartussen traag een monorail beweegt. Een rozenkrans van kabelbaantjes schuift van oever naar oever over de rivier en in een haven naast een uitkijktoren liggen de diepbruine silhouetten van de hulkjes waarmee Columbus naar de Nieuwe Wereld voer. Want ook de tentoonstelling van 1992 herinnert aan die historische gebeurtenis en is aan het "het tijdperk der ontdekkingen' gewijd, dat kennelijk pas vijfhonderd jaar geleden begon.

Televisie

Mijn aarzelingen over deze onderneming zijn de aarzelingen van iedereen, van de deelnemers, van het publiek, van de stad, zelfs van de organisatoren. Wat heeft het voor zin om op één plek, waar ook ter wereld, een ontmoeting van honderden verschillende culturen te organiseren en miljoenen mensen te vragen om erheen te gaan, als we televisie hebben om de wereld bij ons thuis te brengen. Die vraag gold niet voor de tentoonstellingen van voor de oorlog, toen het publiek nauwelijks aanmoediging behoefde en van heinde en verre toestroomde om een stoommachine of een echte neger te zien. Maar in Brussel (1958), in Montreal (1967) en in Osaka (1970) was men zich al van het probleem bewust. Daarom werd er aan de naoorloogse wereldtentoonstellingen een mooi thema gegeven ("Voor een menselijker wereld', "Aarde van de mensen', "Vooruitgang in harmonie') dat door het gastland moest worden uitgewerkt en sprak men af om maar één keer per decennium zo'n evenement te organiseren. In de jaren tachtig heeft iedereen gepast.

De plannenmakers van Sevilla '92 hebben op twee manieren geprobeerd om hun project bestaansrecht te geven. Allereerst door de televisie zoveel mogelijk in te schakelen en er de nadruk op te leggen dat deze wereldtentoonstelling de eerste is die zich eigenlijk niet op één plek afspeelt maar zich via de media in ruimte en tijd heeft uitgebreid. Dit is "de informatica-Expo'. Het terrein is zeer bekabeld en een enorm aantal concerten en theatervoorstellingen moet ervoor zorgen dat het maandenlang, ja zelfs nog na de sluiting op 12 oktober, overal ter wereld op de schermen is te zien.

De gemeente Sevilla heeft een sluwe, bijkans geniale variant op deze tactiek bedacht door af te kondigen dat de hele stad met al haar monumenten, met haar historie en met de verbeteringen die de laatste jaren zijn aangebracht, gezien moet worden als "het paviljoen van Sevilla op de wereldtentoonstelling'. Dat is conceptuele kunst: een handtekening onder het stratenplan en een expositie die niet op het terrein van de expositie ligt. Het is natuurlijk ook het logische eindpunt van de communicatierevolutie: als straks iedereen alles overal kan zien en horen is de wereld zijn eigen tentoonstelling geworden en maken we geen verschil meer tussen hier en daar.

Maar zover is het nog niet. We hebben ook nog altijd te maken met de uitlopers van de industriële revolutie en daarom zijn er bruggen gebouwd tussen de stad en het eiland waarop de Expo ligt. De mooiste is de grote witte boog die Juan Arenas en Marcos Pantaleon ontworpen hebben en die doet denken aan de gebleekte ruggegraat van een sauriër die besloten heeft na zijn dood nog een nuttige rol te gaan vervullen. De opvallendste is de, eveneens witte, harp die Santiago Calatrava heeft gemaakt.

Dit is de tweede truc die de wereldtentoonstelling moet rechtvaardigen: ze is meer dan ooit een proeftuin voor geavanceerde architectuur. Zolang de driedimensionale communicatie nog in de kinderschoenen staat, moet je er zelf heen om je te verbazen over wat er allemaal te bouwen valt. Alles kan op dit moment en alles is er dan ook neergezet, dat zie je van een afstand nog beter dan wanneer je de poort binnen bent. De nieuwe tentoonstelling lijkt in niets op de plechtstatige gelijkvormigheid van het Maria Luisa-park.

De architectuur is op deze wereldtentoonstelling belangrijker dan ooit, maar tegelijkertijd kan ik me niet voorstellen dat er één gebouw in deze zee van ideeën staat dat over honderd jaar als "emblematisch' voor 1992 wordt ervaren. Er is in Sevilla geen Crystal Palace, geen Eiffeltoren, geen Atomium en geen Geodesische Koepel te zien en naar revolutionaire vorm (Mies van der Rohe's Duitse paviljoen in Barcelona, 1929) of inhoud (het Spaanse paviljoen met de Guernica in Parijs, 1937) zoek je ook vergeefs.

Klassiek

Mooi en vrolijk is het allemaal wel. De Spanjaarden hebben bovendien geprobeerd om door de vormgeving van het terrein nog enige samenhang, een beetje ordening aan te brengen en dat is naar omstandigheden lang niet slecht gelukt. Er zijn over het hele terrein met klimop overdekte wandelpaden aangelegd, er stroomt overal water uit kranen en fonteintjes, de parasol en het tentdoek zijn terugkerende thema's - zo wordt geprobeerd op natuurlijke wijze de hitte van de zomermaanden te temperen. Twee kleuren blauw en veel wit keren op het eiland terug in de algemene voorzieningen. En het "straatmeubilair' dat speciaal voor de Expo is ontworpen heeft het zelfs in zich om klassiek te worden. De sierlijke lantaarns die op bureaulampen lijken, de parkverlichting met zijn kopjes in pastillevorm, het drinkfonteintje van gietijzer en de golvende betonnen bankjes - ze zijn balsem voor de ogen en ze onderstrepen wat eigenlijk al een paar jaar duidelijk is: vrijwel vanuit het niets heeft Spanje zich opgewerkt tot een land dat uitblinkt op het gebied van de industriële vormgeving. Het zal iets te maken hebben met de wet van de remmende voorsprong en de voorspronggevende achterstand. Maar hoe het ook zij: laten we, bij gebrek aan beter, en op grond van de mooie omlijsting, voorlopig maar afspreken dat Sevilla de historie ingaat als de Expo van de Goede Smaak.

Het gastland heeft ook de zogenaamde themapaviljoens moeten verzorgen. Eén is er afgebrand, dat van de Ontdekkingen, maar daaraan moet geen al te zware betekenis worden gehecht. De gevel wordt nu, smaakvol, versierd met gekleurde ladders en de silhouetten van gelukbrengende schoorsteenvegers, zodat het gebouw voor autonoom kunstwerk kan doorgaan. Eduardo Arroyo, de kunstenaar, heeft het ook al gesigneerd. De ontwerper van het Paviljoen van de Zeevaart had geen ongeluk nodig om van zijn gebouw een statement te maken: het heeft de vorm van een schip dat op zijn kant ligt. De houten scheepswand vormt, voor wie eenmaal binnen is, het gewelfde plafond en onder een doorzichtige vloer zijn navigatie-instrumenten, zeeschatten en ander maritiem toebehoren uitgestald. Het Paviljoen van de Vijftiende Eeuw hoort bij het klooster van La Cartuja, tot voor enkele jaren het enige gebouw dat op het eiland stond. Columbus heeft er gelogeerd en, naar men zegt, een boom geplant. In de vorige eeuw was er een aardewerkfabriek gevestigd. Nu probeert men er, door middel van een audiovisueel programma en een expositie van oude kunst, een beeld te geven van het Spanje vóór de ontdekking van Amerika.

Het Paviljoen van Spanje, een groot en helder gebouw dat aan de oever ligt van een kunstmatig meer, is ook al voor een groot deel gevuld met oude kunst. Met Ribera-Zurbaran-Velazquez-Greco-Goya-Dali-Picasso enzovoorts. Het is werkelijk een imponerende collectie, en mooi opgehangen ook. Maar waren de Wereldtentoonstellingen niet bedoeld om "een beeld te geven van hun tijd in al haar aspecten', van alles wat er nieuw en spannend in de wereld is? Wordt het einde van de twintigste eeuw dus vooral gekenmerkt door de eerbied voor oude schilderijen? Of, anders gezegd, door het verzamelen van kunstenaarsnamen in een catalogus die als bewijs dient voor een krachtige nationale identiteit?

Spanje is niet het enige land dat zichtbaar met dit soort vragen heeft geworsteld. Een week voor de officiële opening waren nog niet alle landenpaviljoens te bezichtigen, maar de huizen die ik heb gezien bevatten meestal aan de ene kant hoogtepunten van gecanoniseerde cultuur en aan de andere kant televisie. Heel veel televisie. In sommige paviljoens zijn gewoon een paar goedkope monitortjes opgehangen (zoals in het geval van Nederland en daar zijn de schermpjes dan ook nog made in Italy) waarop een promotiefilmpje wordt afgespeeld. Elders maakt men gebruik van vidiwalls en sensurround-effecten om speciaal gefabriceerde superprodukties uit te stralen. Met de stoel van de kijker blijk je intussen ook van alles te kunnen doen (wippen, schuiven, draaien), maar teevee is het en blijft het en wat er wordt vertoond had je dus ook thuis kunnen zien. Ik vermoed wel dat mijn eigen televisie in de komende jaren groter wordt en beter geluid zal hebben en misschien koop ik ook wel een nieuwe, luie stoel. Maar moet ik naar Sevilla om daar een voorschot op te nemen?

Nee, daarvoor niet.

Modern

Blijft over de architectuur. Zeker wanneer een gebouw niet voor de eeuwigheid hoeft te worden geconstrueerd, en de Expo-paviljoens zijn in principe tijdelijk, kun je iets bijzonders zeggen met de vorm ervan. Dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel het ontwerp bevestigt de bestaande opvattingen, het clichébeeld, over een land. Of het maakt duidelijk dat de natie in kwestie heel anders, veelzijdig, modern, ongrijpbaar is.

Bijna alle ontwikkelingslanden die niet in de bedrijfsverzamelgebouwen voor Afrika en Latijns-Amerika zijn terechtgekomen, kozen voor de eerste mogelijkheid. Tunesië heeft een lemen fort neergezet, Korea een tempel, Marokko iets suspects met veel mozaïek en fonteinen, de Fiji-eilanden zijn druk met rieten daken in de weer, Hongarije doet folkloristische dingen met leisteen en hout en het dak van Saoedië-Arabië is gemaakt van handgeknoopte tapijten. Maar uit dit laatste bouwsel steekt ook een staketsel van witte vierkanten dat vermoedelijk de aanvaarding en incorporatie van moderne methoden symboliseert. Zo laat Nieuw-Zeeland - een moderne samenleving maar met veel ongerepte natuur - uit haar strakke paviljoen een enorme rotswand tevoorschijn komen met zeevogels (aalscholvers, meeuwen, hoe heet dat tuig) erop en mosselen ertegen aangeplakt en heeft Chili een groot stuk ijs van de Zuidpool laten komen. Traditioneel, maar toch apart.

De Europese landen, die samen aan één "boulevard' zijn ondergebracht, hebben geprobeerd elkaar de loef af te steken in algemene vooruitstrevendheid. De kolossale paviljoens van Italië, Frankrijk, Groot-Brittanië, België en Duitsland zou je niet als zodanig herkennen als er geen vlag op stond, maar stuk voor stuk verwijzen ze naar de volgende eeuw. Of naar een idee daarover, dat eerlijk gezegd ook al een beetje gedateerd aandoet. Ze zijn gemaakt van glas, staal, polyester, beton en water. Portugal heeft zich als kleine natie een vrolijk pomo-torentje gepermitteerd, waarvan ik me afvraag of de inhoud, die nog niet te zien was, de vorm waarmaakt. Nederland neemt in het geheel een merkwaardige positie in, met een bijna onzichtbaar gebouw dat in de wandeling al "de parkeergarage' wordt genoemd en, gespeend van iedere ironie, ingericht lijkt te zijn onder leiding van Hans Brinkers zelve: een molen, beetje Rembrandt, veel strijd tegen het water, landbouw, zuinigheid. Bang dat ze ons niet zullen herkennen. De houding van een ontwikkelingsland.

Maar het zou flauw zijn om alleen Nederland deze onzekerheid te verwijten. Wie de paviljoens van de hoogontwikkelde, beschaafde landen goed bekijkt ziet dat er overal is geaarzeld, dat er overal iets blijft wringen. Iets tussen hoogstaande bedoelingen en ontoereikende middelen, vorm en inhoud, binnen en buiten. Ze zijn allemaal wel een beetje de richting kwijt. Uitzonderingen zijn Japan - dat een immense, hermetisch gesloten doos van hout heeft opgericht, die gevuld is met de allermodernste electronica - en Zwitserland.

Ja, Zwitserland. In Bern is men er terecht van uitgegaan, dat de wereld zo langzamerhand wel weet dat er degelijk volk woont tussen de Alpen. Deze boodschap draagt het paviljoen dan ook niet uit. Met vreugde hebben de Zwitserse ontwerpers vastgesteld dat ze eindelijk eens iets mochten bedenken dat maar een paar maanden dienst hoefde te doen. Ze maakten een non-gebouw met een toren van papier waarvan een folder vrolijk meedeelt dat hij geen enkele bedoeling heeft, behalve de aandacht te trekken. Dat doet hij, en hij produceert geluid. Er is overigens wel degelijk aandacht voor alpinisme in het paviljoen: een grote foto van bergbeklimmers die van een berg afvallen. Ook hangen er koeiekoppen met een bel om hun nek, en onder die koppen prijkt als toelichting: "de culturele verscheidenheid van Zwitserland'. Elders behandelt men de saaiheid, de zelfgenoegzaamheid, het bankgeheim en de alpenhoorn. Intussen wordt een muziekstuk ten gehore gebracht dat is gecomponeerd met behulp van stemmen die de tweehonderd Zwitserse dialecten spreken. Er wordt veel gelachen. In de tien minuten die het kost om door dit bouwwerk te lopen heb ik niets gezien dat werkelijk geniaal of schokkend was, maar toen ik de houten tribune afdaalde die over het dak naar de uitgang leidt, was mijn idee over Zwitserland grondig veranderd. Als dat geen wereldprestatie is, dan toch in ieder geval iets dat het waard is om op een wereldtentoonstelling te staan.

Chaos

De hamvraag is nu natuurlijk: loont het de moeite om voor de Expo naar Sevilla te reizen. Als Zwitserland het enige lichtpunt in een troosteloze bende was, zou het antwoord nee moeten zijn. Zo is het gelukkig niet. De chaos van meningen en bedoelingen op deze Expo is ongetwijfeld groter dan ooit tevoren, maar dat doet aan de oogverblindendheid niets af. Er is zoveel tijd en moeite en geld en energie in geïnvesteerd dat het alleen een chaos kon worden van wereldformaat en die karakteristiek valt op het televisiescherm nog niet weer te geven. Daarvoor brengt de camera teveel ordening aan.

Natuurlijk kan men deze zomer ook Euro-Disney bezoeken. Het is dichterbij, minder warm, schoner, perfect geregeld en het attractiepark vertelt een begrijpelijk verhaal volgens negentiende-eeuwse lijnen, dat aan film en televisie is ontleend. De Verenigde Staten, waar het bedacht is, is een door-en-door negentiende-eeuws land.

Sevilla ligt ver weg in het slordige zuiden, hotelkamers zijn moeilijk te vinden of niet te betalen, het is er vol, bloedheet, de kinderen willen na een half uur weg, u wordt vrijwel zeker beroofd. Maar dat is allemaal niet erg. Deze Expo valt alleen maar te vergelijken met het huis op het ijs, de opera in de jungle, de dans op de vulkaan en andere grootse en zinloze ondernemingen die recht hebben op ons aller respect en onze onvoorwaardelijke steun. Het is een atonaal slotakkoord voor onze eeuw.

Gaat dat zien. Straks is het over.