"De C van CDA betekent 10 zetels verschil'; Drie Kamerleden - niet van CDA, wel gelovig - over het CDA-program

DEN HAAG, 17 APRIL. Deze week presenteerde het Christen Democratisch Appel een vernieuwd "program van uitgangspunten'. “De toetsing aan de Heilige Schrift is de kern van de politieke overtuiging”, aldus het centrale CDA-uitgangspunt. Drie gelovige Kamerleden - gereformeerd, hervormd en Grieks-orthodox, geen van allen lid van het CDA - spreken over dit program.

Zelf zullen ze in hun politiek handelen nooit een beroep doen op hun christelijk geloof, alleen al omdat de bijbel voor te veel interpretaties vatbaar is. Maar wat denken zij van de CDA-pretenties van christelijke politiek? Ze blijken het opvallend eens te zijn. Het bijbelse karakter van het CDA kan niet erg serieus worden genomen. Het CDA kan als politieke partij geen recht doen gelden op een christelijke legitimatie. Christelijke partijvorming kan eigenlijk al niet en bij het CDA is van het christelijk karakter al helemaal weinig te merken. Het nieuwe program zien de drie Kamerleden van PvdA, VVD en D66 meer als een gewoon, niet onverdienstelijk politiek programma.

“Het zijn valse en ergerlijke pretenties”, oordeelt D.K.J. Tommel, gereformeerd en Kamerlid voor D66. “Ik heb ooit een onthullend antwoord gekregen toen ik ergens heel boos over was en aan een CDA-collega vroeg: wat betekent die "C' dan eigenlijk voor jullie? "Tien zetels verschil' was het antwoord. In dit program worden een aantal algemene, maatschappelijk nuttige zaken benadrukt maar zijn die nou specifiek christelijk? Als er Partij van de Arbeid boven had gestaan, had iedereen het ook geloofd. Het lastige is dat het evangelie behoorlijk radicaal is. Als je dus die pretentie hebt, moet je ernaar handelen. Maar dan verlies je als CDA wel stemmen, omdat je op veel radicalere stellingnames uitkomt. Dat is de crisis waarin ze zitten, want ze beseffen heel goed dat ze de pretentie niet waar kunnen maken. Maar ze kunnen er ook niet uit want het is hun bestaansrecht. Dit program is in wezen een achterhoedegevecht, omdat de C van het CDA steeds minder betekenis krijgt.”

J. Franssen, hervormd en Kamerlid voor de VVD, valt Tommel bij: “Ik vind dat ze zich erg pretentieus opstellen. In dit program heeft men machtspolitieke ontwikkelingen als vertrekpunt genomen. De geopolitieke ontwikkelingen sinds 1989 leiden het CDA tot een plaatsbepaling waarin de democratische principes een belangrijke rol spelen, maar die onvoldoende dimensie krijgt omdat men verzuimt in de diepte te gaan als het gaat om de vraag wat christelijke noties betekenen bij het praktisch politieke handelen. Ik vind als basis voor hun standpunt maar heel weinig bijbelse noties of opdrachten die de Schrift ons stelt. Het profane politieke aspect is het vertrek- en ijkpunt, waar dan een christelijk sausje overheen gaat. Ik ervaar het CDA in zijn optreden hoofdzakelijk als een puur machtspolitieke beweging. Ik vind het beroep op de bijbel daarom buitengewoon aanmatigend en vaak heel pathetisch. Een partij die zich door het evangelie wil laten leiden zou een partij moeten zijn die de samenleving bewust in een bepaalde richting wil sturen. Dat was het sterke van de oude ARP. Bij het CDA is daarvan niets merkbaar.”

Ook A. Apostolou, PvdA-Kamerlid en Grieks-orthododox, is op zich niet ongelukkig met sommige politieke noties die het CDA in het program uitspreekt “maar ik zou het veel eerlijker vinden als het CDA die C gewoon zou afschaffen en zou zeggen: "wij zijn een conservatief-democratische partij', een Conservatief-Democratisch Appel, als het ware. Het CDA zou bevrijd moeten worden van de C. Zelf ben ik helemaal tegen het verschijnsel van partijen die op een christelijke grondslag opereren. Dat vind ik uit den boze. Het is het institutionaliseren van iets dat niet valt te institutionaliseren. Kerkelijke organisaties als toetsingskader, dat zou nog kunnen, maar het evangelie zelf laat zich niet zo vangen. De essentie daarvan is de vrijheid, de grenzeloosheid.” Apostolou vindt dat wat hij “existentieel” gelooft, een zaak is van hemzelf, die hij wel met anderen kan delen maar “niet in het politieke bedrijf”. “Dat vind ik juist het leuke, dat je in je kerk of in je gemeenschap vanuit een bepaalde levensvisie verenigd wordt met mensen die in het dagelijks leven gescheiden wegen kiezen.” Hij begrijpt eigenlijk maar weinig van de Westeuropese christendemocratie die èn evangelisch èn volkspartij wil zijn. “Dat lijkt mij niet te rijmen.”

Dat blijkt ook precies de reden te zijn waarom Franssen het als “een bevrijdend gevoel” ervaart om in een niet-christelijke partij actief te zijn. “Als een christelijke beweging zich gaat voegen in een genormeerde organisatie, dan gaat ze zich corrumperen aan de macht. Dan raak je het onafhankelijke gevoel kwijt dat kenmerkend moet zijn voor iemand die christelijk wenst te opereren. In mijn partij kan ik in volle vrijheid vanuit mijn eigen uitgangspunt opereren en discussiëren.” Franssen vertelt dat zijn irritatie over politieke contacten met mensen van kerkelijke groeperingen, “met zo'n houding van: wij hebben de waarheid in pacht”, hem alleen maar bescheidener hebben gemaakt “in mijn presentatie als iemand die zich door de normen en waarden van de bijbel wil laten leiden. Ik ga het CDA dus ook niet bestrijden op die C, omdat ik dan in dezelfde pretentieuze situatie kom als die ik in hen afwijs. Ik hoop alleen dat ze zelf tot inkeer komen.”

Ook Tommel zal zich nooit in het openbaar beroepen op zijn geloof, al vormt het wel zijn inspiratiebron en is hij er “op aanspreekbaar”. Hij acht het CDA-program van uitgangspunten zelfs zo weinig christelijk dat hij gelooft dat het helemaal niet bedoeld is om de "C' meer karakter te geven. “Het is een aanpassing aan de maatschappelijke werkelijkheid. Op een aantal punten gaat men nu door de bocht, zoals de aanvaarding van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk. Men ziet namelijk dat wat het CDA tot nu toe verkondigd heeft niet meer kan rekenen op brede instemming in de Nederlandse samenleving. Het program is bedoeld om de macht te houden, door de niet-confessionele kiezers vast te houden die in 1986 en en 1989 werden bereikt. De leiding van de partij ziet dat heel scherp: als je je niet aanpast, dan blijf je geen brede volkspartij. Dat heeft niets te maken met christendom maar wel met de machtsbasis.”