Zelfgemaakte natuur

Natuur, wat doen wij er mee? Cahiers Bio-Wetenschappen en Maatschappij no 3, maart 1992. Te bestellen door ƒ 10,- over te maken op giro 154373 t.n.v. Stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij te Utrecht o.v.v. "Natuur'.

Het leven in de lage landen bij de zee is lang niet ongevaarlijk. Wie de natuur haar gang laat gaan, wordt overstroomd en weggespoeld. Daarom werden terpen opgeworpen en dijken aangelegd. Moerassen zijn ontgonnen en oerbossen gekapt, polders aangelegd en verkaveld. Nederland is hèt voorbeeld van een land dat helemaal door mensenhanden is gemaakt.

Over de vraag hoe het nu verder moet gaat het jongste deeltje van de Cahiers Bio-wetenschappen en Maatschappij, onder de titel "Natuur, wat doen wij ermee?'

Halverwege de vorige eeuw was die vraag nog vrij eenvoudig te beantwoorden, zo valt in het eerste, historisch getinte hoofdstuk te lezen. De eerste generatie natuurbeschermers koos ervoor om, in tijden van snelle agrarische en industriële expansie, woeste gronden en landgoederen aan te kopen om ze veilig te stellen voor het nageslacht.

Maar die tijd is voorbij, er zijn nu haast geen woeste gronden meer te koop. Wie meer natuur wil, moet bestaand landschap omvormen. In de uiterwaarden langs de grote rivieren bijvoorbeeld of op voormalig bouwland, er liggen vele wegen open. Biologen, planologen en landschapsecologen hebben zich op het fenomeen natuurontwikkeling gestort. Voor elk gewenst natuurdoel ligt nu het juiste draaiboek met ruimtelijke strategieën op de plank. Wil men een landschap met een grote verscheidenheid aan plant- en diersoorten? Dan is daar het plan "grutto', waarin boer en natuurbeschermer vredig samenleven. Gaat het erom wilde soorten in het versnipperde landschap uit hun isolement te redden? Dat draaiboek heet "otter' en is speciaal gericht op herstel van verbindingswegen voor plant en dier, in de vorm van waterwegen tussen moerasgebieden en kleine bosjes als "opstapjes' tussen grote, ver uit elkaar gelegen bosgebieden. In het plan "eland' geldt als uitgangspunt dat landbouw en natuur onverenigbaar zijn en dus ruimtelijk gescheiden moeten worden. En tenslotte is er "blauwe kiekendief', een scenario voor de ontwikkeling van grote woeste natuurgebieden zoals de Oostvaardersplassen. Zo leven we over een tijdje met zijn allen in het democratisch landschap, waarin de samenleving voor elk gebied de gewenste natuur, met de juiste soorten en landschappen kan kiezen.

Of dat alles echt zo mooi uitpakt als de nota's beloven valt nog te bezien. Intussen kan al wel worden vastgesteld dat veel spontane natuurontwikkelingsprocessen niet gebaat zijn bij menselijke pottekijkers. Een modern natuurreservaat als de Oostvaardersplassen is grotendeels gesloten voor publiek. Natuur wordt daar ontwikkeld voor plant en dier en mensen zijn daarbij alleen maar storend. Hoe de mens dan de liefde voor de natuur moet beleven is de vraag. Natuurmonumenten, zo wordt in het voorwoord van het boekje opgemerkt, telt al meer dan 600.000 leden, als die op zondag massaal naar de terreinen trekken worden die platgewalst, om van de extra files nog maar te zwijgen. De ware natuurliefhebber zit op zondag rustig thuis.