Voor een diploma, niet voor de gezelligheid

Sinds 1987 zijn eenvoudige vormen van onderwijs voor volwassenen ondergebracht in de Basiseducatie. Nu wordt een tweede fusie afgedwongen die de lessen sterk richt op de arbeidsmarkt. Maar 80 procent van de leerlingen wordt gevormd door huisvrouwen.

In de zaal op de derde verdieping van de Jaarbeurs loopt de spanning langzaam op. De Kamerleden die de Landelijke Vereniging Directeuren Basiseducatie voor de jaarlijkse ledenvergadering had uitgenodigd, blijken alle vier voorstander van schaalvergroting te zijn. De een na de ander hebben ze het over maatwerk en efficiëntie, over toekomstige positionering en over concurrentie, afstemming en doorstroming. De directeuren gruwen.

Ze hadden zich de bijeenkomst anders voorgesteld. Volgens hen heeft schaalvergroting alleen zin als het gaat om gelijkgestemde schoolsoorten. De directeuren hadden verwacht dat de Kamerleden het daar mee eens zouden zijn. Dat ze zouden begrijpen dat bij cursussen rekenen, taal en sociale redzaamheid voor laaggeschoolde volwassenen kleinschaligheid het toverwoord is. Veel deelnemers aan basiseducatie worden immers binnengehaald via de "koffie-inloopochtend'. Vaak beginnen ze met te zeggen dat een cursus niets voor hen is - ""daar ben ik te dom voor''. Zulke mensen geven zich niet op bij een Regionaal Opleidings Centrum, de mammoetscholen die minister Ritzen nu wil en die de Tweede Kamer kennelijk niet bestrijdt.

De vier gasten blijken nauwelijks van dit soort problemen op de hoogte. Het PvdA-Kamerlid memoreert dat 66 procent van de deelnemers aan basiseducatie werkzoekend is: ""Dus is het heel goed dat u nu aansluiting bij het beroepsonderwijs moet zoeken''. Maar ze heeft de stukken niet goed gelezen: 66 procent van de cursisten heeft geen werk omdat het huisvrouwen zijn.

Verschrikking

In 1987 voegde het ministerie van onderwijs via de Rijksregeling Basiseducatie alfabetiseringscursussen, educatieve activiteiten voor culturele minderheden en Open-Schoolprojecten samen. Nu is ze eraan gewend, maar het woord "basiseducatie' vond directeur Mariëtte Hamer van de Rozenburgse instelling voor basiseducatie In Petto indertijd "een verschrikking'. Veel deelnemers kunnen het woord niet eens lezen. Ook bij het werven van nieuwe leraren is het lastig. In de war gebracht door "basisschool' en "basisvorming' denken sollicitanten vaak dat het om "iets met kinderen' gaat.

In de basiseducatie gaat het om het verbeteren van het maatschappelijk functioneren van laaggeschoolde volwassenen. Vooral door gebrekkige taalbeheersing schort het daaraan vaak. In een speciale editie van "In Petto Opinie' ter gelegenheid van het jaar van de alfabetisering in 1990 schrijft "Iemand die vroeger op school achter in de klas zat': ""Ik kon niet goed zien wat op het bord stond. Het ging te snel voor mij. Zo raakte ik al snel achter. Ik heb op veel scholen gezeten waarvan ik weet zeker wel vier. Mijn probleem is het niet goed uit de woorden kunnen komen als ze moeilijk zijn.''

In hetzelfde nummer schrijft Trudie dat ze vroeger ""alleen de bijbel'' las maar sinds haar komst naar In Petto ""alles'' probeert te lezen. Segwan ""wil veel keren graag goed Nederlands praten maar dan gaat het niet goed met me''. Ria ""kan niet goed rekenen, en daarom zit ik op een rekencursus van In Petto in Rozenburg. Soms vind ik de sommen erg moeilijk voor mij en dan kan ik ze niet zo goed begrijpen, ze moeten het dan voor mij een paar keer uitleggen met hulp van blokken en een kubus of hoe het ding dan mag heten, weet ik niet.''

De geschiedenis van In Petto vóór 1987 is vooral zichtbaar in de kamer met het archief. Daar staan de dozen vol vergadernotulen en jaarverslagen van de alfabetiseringsprojecten en de Open School. Toch valt ook aan het opgeknapte lagere schoolgebouw nog het enthousiasme van die vroegere tijd van pionieren en vrijwilligerswerk af te zien: het is door de leraren en de deelnemers zelf in de verf gezet en de architect die de pasteltinten koos, heeft niet kunnen voorkomen dat de bar in de hal kanariegeel is geworden.

Hoewel In Petto al verder geprofessionaliseerd is dan menig andere instelling voor basiseducatie - er zijn alleen nog vrijwilligers voor het beheer van het gebouw - houdt Mariëtte Hamer de vroegere uitgangspunten zoveel mogelijk in ere. Basiseducatie moet volgens haar gezelligheid uitstralen. Veel deelnemers hebben geen goede herinneringen aan hun schooltijd. Ze moeten niet het idee krijgen in schoolbankjes te zitten. Bij de bar in de hal - de koffiehoek - staan rond lage tafeltjes bistro-stoelen gegroepeerd. Misschien dat de bar nog wordt overgeschilderd in een van de pasteltinten van de architect, in ieder geval komen er planten op te staan.

Fusievergaderingen

Tijdens de ledenvergadering van de Landelijke Vereniging Directeuren Basiseducatie is het even door haar heen gegaan: dat die hele opknapbeurt misschien voor niets is geweest. Maar toen ze het woord nam heeft ze het niet over de inspanningen van verhuizing op verhuizing gehad. Haar opmerking ging over de vele uren die directeuren van instellingen voor basiseducatie moeten steken in fusie-vergaderingen sinds minister Ritzen heeft aangekondigd het onderwijs voor volwassenen te willen stroomlijnen tot Regionale Opleidingen Centra. Die tijd had ze liever gestoken in de inhoudelijke afstemming op schoolsoorten die met de basiseducatie verwant zijn, zoals de centra voor beroepsoriëntatie en beroepsoefening van het ministerie van sociale zaken.

ROC's (uitgeproken als "errosees') moeten scholen worden voor basiseducatie, leerlingwezen, middelbaar beroepsonderwijs, vormingswerk en voortgezet onderwijs voor volwassenen (de vroegere moedermavo). Volgens minister Ritzen kunnen alleen ROC's de onderlinge afstemming en de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt garanderen die het middelbaar beroepsonderwijs en het onderwijs voor volwassenen nodig hebben. Van zo'n 140 scholen voor middelbaar beroepsonderwijs en vele honderden andere instellingen moeten uiteindelijk niet meer dan enkele tientallen ROC's overblijven.

Sinds het verschijnen van de ministeriële "Hoofdlijnennotitie ROC's' worden overal in het land "interne discussiestukken' geschreven en fusie-vergaderingen belegd. Niemand wil de boot missen, ook de basiseducatie niet. Eind vorig jaar schreef de Landelijke Vereniging Directeuren Basiseducatie in "Basiseducatie in ontwikkeling' enigszins terughoudend over ROC-vorming dat "tussen de (deelnemersgerichte) instellingen voor basiseducatie en de samenwerkingspartners in het vervolgonderwijs grote cultuurverschillen heersen'.

De vereniging raadde haar leden aan kritisch te blijven, maar wees fusies niet af. Tegelijk bleek uit een achterin het stuk opgenomen overzicht van het lerarenbestand waar schaalvergroting in ieder geval toe zal leiden: zodra een instelling voor basiseducatie groter wordt stijgt het aantal mannelijke directeuren. Nu is nog ruim zestig procent van de directeuren vrouw - "gastvrouw' zoals Mariëtte Hamer zelf zegt.

Inmiddels heeft de Regio Rijnmond waaronder de Zuidhollandse eilanden ressorteren een eigen concept van de ROC's uitgewerkt. Ondernemende Rotterdammers hebben studiereizen naar de Verenigde Staten en Groot-Brittanië gemaakt om ter plekke de scholen te bekijken die aan de wieg van de ROC's hebben gestaan. "Plan van aanpak RCC' heet hier het interne discussiestuk, waarbij RCC staat voor "Regio Rijnmond Concept'.

In de Regio Rijnmond moet "de ontwikkeling van het RCC verlopen volgens een groeimodel'. Eerst zullen er LOC's worden gevormd, Locale Opleidingen Centra. Voor verdergaande samenwerking geldt dat "inhoudelijke keuzes bepalend zijn voor de vormgeving, en niet andersom'. Fijntjes wordt opgemerkt dat wat de Rotterdammers betreft ook andere schoolsoorten zich kunnen aansluiten: vrouwenvakscholen, centra voor beroepsoriëntatie en beroepsoefening en centra voor vakopleiding van volwassenen bijvoorbeeld.

Visitekaartje

Op de Zuidhollandse eilanden Voorne-Putten, Hoekse Waard en Goeree-Overflakkee hebben vier van de vijf instellingen voor basiseducatie met in hun achterhoofd het "Plan van aanpak RCC' eind vorig jaar een federatie gevormd. De samenwerking moet nog dit jaar uitmonden in een fusie, om sterker te staan bij de totstandkoming van de LOC's. Elke twee weken is er directeurenoverleg.

Deze maandag komt allereerst het visitekaartje ter sprake. Moet dat een gezamenlijk kaartje worden of krijgen alle vier de instellingen een andere? Het is een gevoelig onderwerp. Een gezamenlijk kaartje is uit strategisch oogpunt beter, maar betekent wel dat de eigen naam van de instellingen verdwijnt. Veel deelnemers kennen hun school alleen onder die naam. Besloten wordt om te wachten op de mening van de vormgever die op verzoek van de gezamenlijke "werkgroep pr' volgende week komt adviseren over een nieuwe huisstijl.

Mariëtte Hamer heeft voor iedereen twee A-viertjes "voorwaarden voor deelname van de basiseducatie aan LOC's' meegenomen, in de intimiteit van de directeurskamer "onze lokjes' genoemd. "De flexibele en deelnemersgerichte benadering van de basiseducatie moet richtinggevend worden', staat erin. Het punt "LOC-vorming is niet gebonden aan gebouwen' is achteraf veranderd in "is bij voorkeur niet gebonden aan gebouwen'.

Dilemma

Hamer is niet de enige die moeite heeft met de komende fusiegolf. Veel leraren bij In Petto zijn indertijd begonnen als vrijwilliger. Zij vinden dat basiseducatie meer nadruk op sociale redzaamheid en individuele ontplooiing hoort te leggen dan op certificaten waarmee werklozen naar een vervolgopleiding kunnen. Tegelijk is In Petto sinds het binnenhalen van het "project additionele scholing' voor werklozen voor een deel van zijn budget afhankelijk van het arbeidsbureau.

Hamer spreekt van "een dilemma': ""Aan de ene kant vind ik dat je kleine maar dure groepjes voor alfabetisering moet kunnen maken, aan de andere kant wordt de roep om arbeidsmarktgerichte cursussen en taalcursussen voor allochtonen steeds sterker - en die kun je in grotere groepen geven.'' In Petto is erop achteruit gegaan toen in 1987 het geld voor de basiseducatie opnieuw werd verdeeld. Het "project additionele scholing' heeft gedwongen ontslagen kunnen voorkomen - maar betekent ook dat beroepsopleidingen voor werklozen nu een belangrijke poot van In Petto vormen. Het extra geld dat het ministerie van onderwijs sinds 1990 voor de basiseducatie uittrekt (oplopend tot een verhoging van het budget met 20 procent in 1994) is bedoeld om de wachtlijsten voor de taalcursussen voor allochtonen weg te werken.

Ook de Landelijke Vereniging Directeuren Basiseducatie is ongerust over de toenemende arbeidsmarktgerichtheid, die door de komst van de ROC's alleen maar groter zal worden. "Een over-accentuering op doorstroming is gezien de leerwens van het merendeel van de cursisten niet gerechtvaardigd' staat in "Basiseducatie in ontwikkeling'. Het is een nette zin, geschreven in een tijd dat tussen de vereniging en het ministerie van onderwijs alles nog koek en ei was. Sinds enkele weken geleden duidelijk werd dat het ministerie op de basiseducatie gaat bezuinigen is de relatie bekoeld.

Het stond in feite al in de onderwijsbegroting: met ingang van 1993 wordt 30 miljoen gulden van het budget voor de basiseducatie overgenomen door het centraal bestuur voor de arbeidsvoorziening, het tripartite samenwerkingsverband van werkgevers, werknemers en overheid. Alleen is de arbeidsvoorziening gedecentraliseerd in 28 regionale besturen en kunnen die niet worden verplicht om voor 30 miljoen gulden aan cursussen bij de basiseducatie te besteden. Elke instelling voor basiseducatie zal er bij zijn eigen regionaal bestuur om moeten lobbyen. Gemakkelijk zal dat niet zijn want via het "project additionele scholing' steken de regionale besturen al meer dan 30 miljoen gulden per jaar in de basiseducatie.

Volgens de Landelijke Vereniging Directeuren Basiseducatie zal de overheveling in de praktijk betekenen dat het budget voor de basiseducatie wordt verlaagd met 17,5 procent, in plaats van verhoogd met 20 procent. Wachtlijsten zullen weer langer worden, directeuren zullen hun kostbare tijd moeten besteden aan het binnenhalen van (arbeidsmarktgerichte) cursussen, leraren zullen tijdelijke aanstellingen krijgen. Tijdens de ledenvergadering beloofden de Kamerleden er ""de minister op aan te zullen spreken''. Maar ze ""wilden niet verhullen'' dat ""het onderwijs steeds vaker verschillende werkgevers zal krijgen'', en dat daarbij ""de arbeidsvoorziening steeds belangrijker zal worden''.

Terugverlangen

Voor iemand als Brenda Bleecke zal de bezuiniging weinig verschil maken. Bleecke werkt bij In Petto al deels op een contract voor de basiseducatie en deels op een contract voor het "project additionele scholing'. Het is een vaste baan voor 19 en een tijdelijke voor 17 uur.

Bleecke is begonnen als vrijwilligster maar is een paar jaar geleden met haar rechtenstudie gestopt om zich volledig aan de basiseducatie te wijden. Net als de meeste andere leraren verlangt ze zo nu en dan terug naar de tijd van voor 1987, toen het allemaal veel minder professioneel was. ""In die jaren kon je nog met twee deelnemers aan de slag, dat is nu niet meer mogelijk.''

Overgebleven is de opvatting dat cursusmateriaal zoveel mogelijk op de inidividuele deelnemer moet worden afgestemd - en dus door de leraren zelf gemaakt. Weliswaar is de bibliotheek uitgebreid van ""een plankje van een halve meter'' (Mariëtte Hamer) tot een heus vertrek van twee bij drie, maar in de lerarenkamer buigen de planken door onder de klappers met eigen lesmateriaal, elk jaar komen er nieuwe bij. Voor veel deelnemers zou de verplichte aanschaf van boeken overigens een onwelkome aanslag op hun budget betekenen - een mogelijke reden om af te haken.

Vanmiddag behandelt Bleecke aan de hand van een artikel uit "De Havenloods' met de deelnemers aan de "additionele scholing voor anderstaligen' de Banenmarkt Rijnmond. Later deze week zullen ze er samen naar toe gaan. Op de vraag wat het woord "omscholing' betekent aarzelen de zes deelnemers, een Peruaanse, twee Turkse vrouwen, een Ierse, een vrouw uit Curaçao en een Sri Lankees. ""Iets met diploma's?'' ""Werken en leren of zo?'' In de woordenboeken staat het woord in ieder geval niet. Wanneer Bleecke de term "allochtoon' gebruikt wordt ze onderbroken. Dat horen ze tegenwoordig zo vaak, maar wat betekent het eigenlijk?

Leerbaarheid

Het "project additionele scholing' leidt op voor een certificaat en dat geldt voor steeds meer cursussen in de basiseducatie. Met de professionalisering in 1987 zijn er "leerdoelen' gekomen. De door het ministerie van onderwijs geïntroduceerde term "leerbaarheid van de cursist' is een ingeburgerd en geaccepteerd begrip geworden. Hopeloze gevallen mogen niet meer eindeloos blijven komen.

Maar wat is hopeloos? Ook Ineke Hijbeek beschikt voor haar rekencursus over "Doelen rekenen/wiskunde'. Voor het laagste niveau houden die onder meer in dat deelnemers "kunnen tellen en terugtellen tot duizend', dat ze kunnen optellen en aftrekken tot honderd en dat ze "elementaire vermenigvuldigingen en aftrekkingen met getallen tot tien hebben geautomatiseerd'.

Niet iedereen in de groep van Hijbeek zit op dat laagste niveau, maar van digitale getallen begrijpt niemand iets. Uitrekenen hoe lang de trein van Zwolle naar Deventer onderweg is als hij vertrekt om 11.53 uur en aankomt om 12.18 uur stelt de meesten voor een zo goed als onoverkomelijk probleem. Eén cursist heeft problemen met getallen: de ene keer kan ze wel zeven en acht bij elkaar optellen, de andere keer niet. Als een deelnemer er na één of twee jaar in slaagt om uit de televisiegids op te maken dat een bepaald programma ongeveer een uur duurt, heeft hij voor Hijbeek zijn leerbaarheid bewezen.

Televisie

Vorige maand is op het ministerie van onderwijs de "Adviescommissie invoering afstandsleren basiseducatie' geïnstalleerd, die zich moet buigen over de vraag of basiseducatie niet kan worden gecombineerd met televisie-uitzendingen. Wellicht dat op die (relatief goedkope) manier wachtlijsten kunnen worden weggewerkt. Een aantal deelnemers zal niet kunnen achterhalen wanneer die uitzendingen dan wel zijn, maar dat is niet de voornaamste reden waarom men er bij In Petto op tegen is. Leren via de televisie, dat kennen ze nog uit de tijd van de Open-Schoolprojecten. Veel kijkers raakten toen hopeloos verstrikt in hun voor duur geld aangeschafte lesboeken. Ten einde raad klopten ze bij de Open Scholen aan. Nooit steeg het aantal deelnemers zo snel als toen.

Basiseducatie

Basiseducatie is een vorm van onderwijs voor volwassenen. In tegenstelling tot deeltijd-mavo's, vrouwenvakscholen en centra voor vakopleiding van volwassenen richt de basiseducatie zich op volwassenen met een achterstand: analfabeten, huisvrouwen met alleen lagere school, allochtonen die Nederlands willen leren.

De lessen bestaan uit taal, rekenen en sociale redzaamheid. Ze worden 's avonds en overdag gegeven. Een cursus duurt circa duizend uur, uitgesmeerd over enkele jaren.

De basiseducatie is in 1987 ontstaan uit alfabetiseringscursussen, educatieve activiteiten voor culturele minderheden en Open-Schoolprojecten. Daaraan deden veel vrijwilligers mee. Door de Rijksregeling Basiseducatie is het werk geprofessionaliseerd. Betaalde krachten die niet in het bezit waren van een diploma van de sociale of pedagogische academie moesten zich bijscholen. Op het ogenblik werken in 244 instellingen voor basiseducatie 3.500 betaalde krachten en 2.500 vrijwilligers.

De onderwerpen die in de basiseducatie aan bod komen worden grotendeels bepaald door het dagelijks leven van de deelnemers. Bij taal gaat het om kranten en tijdschriften lezen en formulieren invullen, bij rekenen om inkopen doen, een huishoudboekje bijhouden en huurverhogingen volgen. In feite is basiseducatie een combinatie van onderwijs en vorming, reden waarom de helft van de scholen bij het vormingswerk is aangesloten.

Sinds de professionalisering komt de nadruk te liggen op de doorstroming van de deelnemers naar vervolgopleidingen, vooral naar het beroepsonderwijs. Door fusies te stimuleren met het beroepsonderwijs en ander volwassenenonderwijs wil minister Ritzen deze trend versterken. Ook budgetoverheveling van de basiseducatie naar de arbeidsvoorziening dient dat doel.

Bij het grote publiek is de basiseducatie vooral bekend door de wachtlijsten, waar 70 procent van de instellingen mee kampt. Het bestaan van deze wachtlijsten is een veel gehoord argument in het openbare debat over de gebrekkige taalvaardigheid van allochtonen. Van de 12.000 wachtenden (het totale aantal deelnemers aan basiseducatie bedraagt ongeveer 120.000) is 80 procent allochtoon. De gemiddelde wachttijd is vier maanden.

Om de wachtlijsten te bekorten heeft het ministerie van onderwijs in 1990 enkele tientallen miljoenen guldens extra voor de basiseducatie uitgetrokken. Van dat geld volgen nu zo'n 400 tot 500 studenten een opleiding tot leraar basiseducatie. De verwachting is dat de wachtlijsten over twee of drie jaar zijn verdwenen.