Vissen en pijn

In het artikel "Levend aas' (W&O 26 maart) komt prof.dr. F.J. Verheijen tot de onverantwoorde conclusie dat beenvissen kunnen lijden. Deze conclusie steunt op drie pijlers:

1) Onder omstandigheden die mensen als negatief zouden duiden, vertonen vissen fysiologische responsen die ook bij mensen kunnen worden waargenomen en wel op momenten van stress of lijden. Deze fysiologische responsen zouden op subjectieve emotionele ervaringen bij vissen wijzen.

2) Vissen kunnen gedrag vertonen, dat door Verheijen wordt geduid als emotioneel gedrag. Dit zou gepaard gaan met emotionele ervaringen.

3) Het analogiepostulaat van Romanes dat stelt dat de gewaarwordingen van een diersoort meer met die van de mens zouden overeenkomen naarmate deze diersoort en de mens meer overeenkomen in de struktuur van het zenuwstelsel en in reacties op bepaalde prikkels.

Welnu. Zijn emotioneel gedrag, emotionele fysiologische responsen en emotionele ervaringen zo sterk met elkaar verbonden dat mag worden aangenomen dat de andere twee aanwezig zijn wanneer één van de drie aangetoond kan worden? De meeste mensen gaan van deze aanname uit. De psychologie echter kent vele voorbeelden van het tegendeel.

Zo blijkt dat na laesies in het centrale zenuwstelsel, afhankelijk van de plaats, de ene of de andere component kan uitvallen. Maar ook zonder trauma kan een dergelijke dissociatie optreden. Zo is in de psychologie b.v. het begrip alexithymie bekend. Dit is een toestand van een mens die zelden of nooit subjectief emotionele gevoelens ervaart. Het bijzondere bij deze mensen is dat zij wel regelmatig emotionele fysiologische responsen vertonen en ook is heftig emotioneel gedrag bij deze mensen beschreven; gedrag, dat zij uitvoeren, zonder ervaring van een begeleidend emotioneel gevoel. Tenslotte hoeft men emotionele dissociatie niet in bijzondere groepen te zoeken, want vrijwel iedereen kent het verhaal van het verkeersongeval dat emotieloos ervaren werd en pas later, bij het navertellen, angst en hartkloppingen veroorzaakte.

Het voorkomen van emotionele dissociatie wijst op twee dingen: 1) voor emotioneel gedrag en emotionele fysiologische responsen is het emotionele gevoel geen conditio sine qua non en de emotionele ervaring mag derhalve niet zonder meer uit de fysiologie en/of het gedrag afgeleid worden. 2) Verschillende delen van het centrale zenuwstelsel zijn betrokken bij de afzonderlijke emotionele componenten.

Deze ideeën zijn niet nieuw. Bard en Papez, twee hersenonderzoekers, hebben al in de dertiger jaren gewezen op het voorkomen van emotionele dissociatie.

We komen nu toe aan het analogiepostulaat van Romanes. Behalve daar waar het de reacties op bepaalde prikkels (het gedrag) betreft komt ons het postulaat als een zinnige aanname over. Redeneren wij niet altijd zo, doen we niet precies hetzelfde wanneer wij b.v. twee machines met elkaar vergelijken? Ja en nee, wij passen dat uitgangspunt wel toe, maar dan kijken wij naar overeenkomsten in combinaties van functies van de machineonderdelen in beide apparaten, niet naar globale gelijkenis tussen beide machines. Globale gelijkenis van de onderdelen is evenmin belangrijk, zolang we de functies van de onderdelen maar kunnen herkennen.

Verheijen doet echter geen enkele poging tot een functionele beschrijving. Nergens in het stuk, maar b.v. ook niet in zijn artikel 'Pijn en angst bij een aan de haak geslagen vis' in Biovisie van 22 juni '88, beschrijft Verheijen welke delen van het zenuwstelsel betrokken zijn bij de emotionele ervaring van de mens, om vervolgens te kijken of die hersendelen ook bij vissen voorkomen.

Slechts één keer vergelijkt Verheijen het vissenbrein met dat van andere diersoorten. Daar deelt hij mee dat nieuwe kleuringstechnieken aangetoond zouden hebben dat het voorste deel van vissenhersenen meer overeenkomsten zou vertonen met bepaalde hersenstructuren bij zoogdieren dan men tot voor kort dacht. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat deze mededeling alleen gewicht krijgt wanneer aannemelijk gemaakt wordt dat de betreffende "zoogdier hersendelen' een functie voor de emotionele ervaring vervullen. Verheijen laat dit echter geheel achterwege.

Vrij algemeen wordt er van uitgegaan dat de neocortex bij de mens vereist is voor bewuste ervaringen en dus ook voor emotionele ervaringen, waarbij bij het laatste dan vooral gedacht wordt aan die delen van de neocortex die niet een motorische of sensorische functie vervullen (associatie cortex). Wil Verheijen zijn stelling ook maar enigszins ondersteunen dan zal hij toch minimaal na moeten gaan of ook vissen beschikken over een neocortex.

Hoewel de voorhersenen van vissen zeker ingewikkelder zijn dan vroeger werd gedacht, zijn er geen neuro-anatomische argumenten die de aanwezigheid van een neocortex in de hersenen van vissen aannemelijk maken. De karakteristieke zesvoudige gelaagdheid van de neocortex wordt in het vissenbrein niet aangetroffen.

Daarmee is de laatste pijler onder het betoog van Verheijen weggevallen en moeten we vaststellen dat zijn conclusie dat vissen kunnen lijden een wetenschappelijke onderbouwing mist.