Verwantschap tussen tekeningen en gedichten van Willem Hussem; De eenvoud van een Japanse monnik

Tentoonstelling: "warmte vergt jaren groei' Willem Hussem, tekeningen, gedichten, schilderijen. Rijksmuseum Twente, Lasondersingel 129-131, Enschede. T/m 26 april. Di. t/m vr. 10-17u. Za. en zo. 13-17u. Boek: ƒ 39.50.

Verheven en toch met beide voeten op de grond. Soms naïef, soms overdreven artistiek, zo waren woord en gebaar van schilder/dichter Willem Hussem (1900-1974).

Het verschijnen van zijn bloemlezing "warmte vergt jaren groei' was voor het Rijksmuseum Twenthe aanleiding een tentoonstelling in te richten met ongeveer honderd tekeningen en zeven schilderijen uit de periode 1944-1974. Daarnaast presenteert het museum zijn vijftien dichtbundels uit nagenoeg dezelfde periode. De bloemlezing met honderdvijftig gedichten - hij maakte er ruim duizend -, samengesteld door Frank Eerhart en Han Steenbruggen, dient tevens als catalogus. Een groot aantal tekeningen in het boek is ook als origineel op de tentoonstelling te zien.

Hoewel Hussem in 1960 op de Biënnale van Venetië Nederland vertegenwoordigde, kreeg hij pas echt in brede kring erkenning voor zijn beeldend werk na zijn overzichtstentoonstellingen in 1984 in het Utrechtse Centraal Museum in Utrecht en het Frans Halsmuseum in Haarlem. Uit deze tentoonstellingen bleek dat Hussem voor de Nederlandse naoorlogse avant-garde van grote betekenis was.

Simon Carmiggelt herinnerde hem als het middelpunt van een kring mensen in café De Posthoorn, waar zich indertijd het Haagse culturele leven afspeelde. In 1949 hing de eigenaar van De Posthoorn een abstract schilderij van Hussem in zijn zaak op, wat toen een gewaagde daad was. Uiteindelijk behield hij het doek om een hoog opgelopen rekening te vereffenen. Volgens een collega-schilder was Hussem “een buitengewoon vriendelijke man, die je stimuleerde en ruim van opvatting was. Hij zat vol diepe gedachten over het Zen-Boeddhisme maar deed daar niet moeilijk over. Als hij wat zwevend over straat ging, kwam dat niet door Zen maar door de drank”.

Ook Hussems poëzie is niet onopgemerkt gebleven. In 1965 ontving hij de Jan Campertprijs. Zijn bundels werden echter niet herdrukt en tot voor kort kon men voor zijn dichtkunst alleen bij verzamelaars of antiquariaten terecht.

Voor Hussem betekende schilderen en schrijven hetzelfde. Hij merkte daar eenvoudigweg over op dat “het geschrevene alleen niet kan worden geschilderd en het geschilderde niet kan worden geschreven”.

Tekeningen en gedichten blijken nauw aan elkaar verwant te zijn. Hij dichtte zeer beeldend in eenvoudige klare taal, geïnspireerd op Oosterse poëzie en vooral de Japanse haiku - zonder zich aan de strenge zeventien lettergrepige versvorm te houden.

"zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op' (1961)

Soms gaf hij blijk van simpele huiskamerfilosofietjes:

"al dat hout

bij de haard

voor een vuur

warmte vergt

jaren groei'

Misschien zijn het wel de door de Verkade-albums van J.P. Thijsse geïnspireerde natuurobservaties die hem als jongetje de weg in de kunst hebben gewezen. In een schrift schreef hij na een excursie: “Gevonden: 2 Vinvischbaleinen; 2 Haaien-eieren; 6 Scalaria; Heremietkrab met schelpje; Veel wulken en eieren.” Bijna vijftig jaar later kwamen deze observaties opnieuw tevoorschijn, maar dan verwerkt in een poëtische vorm.

In vergelijking met zijn eerdere soms lachwekkende pogingen om als een Japanse monnik met enkele flitsende penseelbewegingen even "tjsak tsjak' in zwarte inkt de essentie weer te geven van harmoniërend natuurschoon in een beeldteken, zijn Hussems latere tekeningen veel twijelachtiger en eenvoudiger; mooi onzeker, alsof ze met de linkerhand zijn gemaakt.

Acht jaar voor zijn dood zei Hussem in een interview: “Ik heb er een leven aan gewerkt om mijn werk zo eenvoudig mogelijk te krijgen. Ik moet die eenvoud elke keer opnieuw op mezelf veroveren.”