Verpletterende tevredenheid; Agnes Varda vertaalt haar liefde voor Jacques Demy in beelden

Jacquot de Nantes. Regie: Agnès Varda. Met: Jacques Demy, Philippe Maron, Edouard Joubeaud, Laurent Monnier. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt; Rotterdam, Lanteren/Venster.

De Franse filmmaker Jacques Demy overleed op 28 oktober 1990. Zijn films, zoals Les parapluies de Cherbourg en Une chambre en ville, blijven toegankelijk, dus een deel van zijn gedachtengoed is bewaard gebleven. Maar wie overlijdt is weg, films of geen films.

Agnès Varda, de echtgenote van Jacques Demy, maakt ook films. Demy werd zwaar ziek en Varda wist dat haar man binnen afzienbare tijd zou sterven. Ze kon niet anders dan berusten in dat vooruitzicht en toch besloot ze te proberen hem iets minder te laten verdwijnen.

Nog bij zijn leven begon Varda haar Jacques te conserveren. Ze deed dat op een manier die bij hem past en die zij machtig was, dat wil zeggen met een film. Een film met Demy, maar vooral een film over hem. Een film waarin de essentie van Jacques Demy zou worden vastgelegd. Volgens Agnès Varda ligt die besloten in zijn jeugd, dus vroeg ze Demy zijn vroegste herinneringen zo compleet mogelijk te vertellen. Hij verwerkte ze op haar verzoek zelfs tot een synopsis. Verder wilde hij niet gaan. Hij was zo verstandig om zijn vrouw haar eigen film te laten maken, op basis van een door haarzelf geschreven scenario. Het werd dus geen documentaire over een zieke man die terugkijkt op zijn jeugd, zijn carrière en de relatie daartussen, maar een biografische speelfilm, onder de titel Jacquot de Nantes. Het wezen van Jacques Demy werd samengevat in het verhaal van een provinciaal jongetje in de havenplaats Nantes, dat geroepen is om films te gaan maken, zonder dat het zich realiseert wat dat inhoudt.

In Jacquot de Nantes roept Varda, in even romantisch als intiem zwartwit, een onvoorstelbaar gelukkige jeugd op. Een hecht gezin, met een lieve vader die als garagehouder met werkplaats aan huis altijd in de buurt is, een moeder wie niets te veel is om haar twee zoontjes blij te maken. Voor een huisbioscoopje worden er zonder protest twee planken van de linnenkast ontruimd en de bovenste helft van de kastdeur afgezaagd. En de jongere broer laat zich graag meesleuren in de fantasiewereld die Jacquot schept met behulp van kartonnen dozen, afgedankte kleren en oude gordijnen.

Zelfs het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kan al dat welbehagen niet onderdrukken. De broertjes Demy worden in de bergen in veiligheid gebracht bij een bejaard echtpaar en daar zijn ze blijkbaar zo tevreden dat ze hun ouders niet merkbaar missen. Pas wanneer Jacquot is uitgegroeid tot Jacques, krijgt hij mot met zijn vader. Voor een carrière als kunstenaar geeft zijn vader geen toestemming. Zijn zoon moet naar de ambachtsschool. Poppetjes maken en die dingen filmen kan hij opvallend goed, maar dat doet hij maar in zijn vrije tijd. De jongen smijt, de vader zwijgt en allebei zijn ze steeds bedrukter. Na een enkel miserabel jaartje brengt een toevallig voorbijvliegende beschermengel Jacques in contact met de juiste figuur. Diens autoriteit brengt de vader tot inkeer.

Varda verbond momenten uit Demy's jeugd met scènes uit de films die hij later zou maken. Ze laat met filmfragmenten zien hoe onbeduidende zinnetjes of gebeurtenissen in familieverband een aanknopingspunt waren voor uitvoerige mise en scènes in Demy's films. Zo riep hij de blauwe overalls van de werklieden uit de garage van zijn vader op in de studio en was de ongewenste zwangerschap van een geadoreerd buurmeisje het begin voor de zwangere Cathérine Deneuve in Les Parapluies.

Toch drong Varda niet werkelijk door tot Demy's films. Associaties worden uitgelegd, doorslaggevende evenementen (de poppekast, de operette, een tante van overzee, een zangeres op de vleugel in een restaurant) zelfs in kleur opgeroepen zodat ze losbarsten van het stemmig zwartwitte, dagelijkse geluk. Maar ze slaagt er niet in aan te geven waarom Demy het verkoos om die bepaalde verhalen op uitgerekend zo'n manier op te roepen en evenmin waarom hij dat op celluloid deed.

Het meest in het oog springende kenmerk van Demy's films is, dat de dialogen voor het overgrote deel worden gezongen. In Jacquot de Nantes wordt heel wat afgeneuriet. Bakt de moeder een taart dan staat ze zingend deeg te kneden, sleutelt een mecanicien onder een auto dan fluit hij het nieuwste populaire chanson met de radio mee. Dat zijn uitingen van tevredenheid. Maar waarom liet Demy zijn personages hun ellende ook muzikaal uitdragen? Jacquot de Nantes biedt nog geen begin van een antwoord.

Jacquot de Nantes krijgt allengs meer te lijden onder de doem van die alomtegenwoordige tevredenheid. Een bomalarm heet vreselijk te zijn, maar voelen doen we dat niet. “Sindsdien haat ik geweld,” zien we Demy zeggen. Het blijft theorie, want Varda bracht de shock niet in beeld. Alleen in de korte fragmenten dat we Demy, zichtbaar ziek, zien en horen spreken, krijgt Jacquot de Nantes een verpletterende effect. Niet door wat hij zegt, dat sluit aan bij de lieve beelden van zijn jeugd. Het gaat om de manier waarop Varda, die bij die gelegenheden zelf de camera hanteerde, hem vastlegde. Ze besloop hem, probeert met haar beelden wanhopig de man vast te houden van wie ze weet dat hij haar binnenkort zal ontvallen. Ze filmt de haartjes op zijn arm, de huid van zijn wang, de bochten van zijn lichaam, zijn hand die speelt met het zand op het strand waar hij, als was hij nog een jongen, ligt te genieten van zout en zee. Dan komt het eigenlijke onderwerp van Jacquot de Nantes naar voren. Varda roept niet Jacques Demy op, noch zijn kunst of zijn wezen. Haar film legt verslag van haar eigen liefde voor haar eigen Jacquot.