Van pijpen, bolknakken en sprieten

De staande asbak staat er niet voor niets: in de pas geopende Amsterdamse galerie Advertising & Popular Art, Zeedijk 21, mag dezer dagen worden gerookt. Het zou ook nauwelijks anders kunnen bij de tentoonstelling "Tevreden rokers', die daar tot 1 juni te zien is.

Vanaf alle muren en uit alle vitrines wordt de bezoeker genoeglijk toegegrijnsd door portretten van pijp-, bolknak-, spriet- en sigaretterokers. Gezellig kringelt op bijna elke afbeelding de rook naar boven; het is, zo te zien, prettig toeven in dit gezelschap.

Een tevreden roker, heette het decennia lang, is geen onruststoker. Pas de laatste jaren heeft deze volkswijsheid ernstig aan overtuigingskracht ingeboet. De sigaret speelt allang geen erotische rol meer in de liefdesscènes van Hollywood, er worden allang geen films meer gemaakt waarin een rokende Fred Astaire uitbarst in een energieke dans, in de mondhoek van de jazz-muzikant op de hoes van zijn nieuwste cd bungelt zelden meer een sigaret en in een televisie-interview ziet men nauwelijks meer deskundigen met sigaar of pijp. De roker is een paria geworden, die de hele dag loopt te spieden naar de spaarzame openbare ruimten waar het roken nog is toegestaan.

Hoe anders was dat in de dagen dat Lucky Strike zich nog cleaner, fresher, smoother mocht noemen en dat het verdwenen Duitse tabaksmerk Sport-Meister zich kon manifesteren met een sportief ogende jongeman op de verpakking - tennisracket in de linkerhand, pijp in de rechter. Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar tot diep in de jaren zestig was het niet verboden tabak te associëren met gezondheid. In de jaren dertig maakte de fabrikant van het Nederlandse merk Ajja van het roken een aanbevelenswaardige gewoonte, die door de ene generatie wordt doorgegeven aan de volgende: vader (met baard) aan de pijp en zoon (met kwieke vlinderdas) aan de sigaret. Ja, men kon er niet vroeg genoeg mee beginnen. Op de verpakking van Superiores prijkt een groep jongetjes van hooguit een jaar of tien in de Pietje Bell-uitdossing van de vroege jaren twintig - kieltjes aan, petjes op het hoofd - en allemaal met een sigaartje tussen de lippen. Hun wangen zijn blozend rood, analoog aan het Hollandse gezondheidsideaal van die dagen.

Ach, hoe eenvoudig was het leven van de roker toen nog. Onbekommerd kon hij zich ook vergapen aan de exotische dromen die hem door de verpakkingsontwerpers werden voorgeschoteld. De tabak kwam van ver. Geen wonder dus, dat in de reclame en op de verpakking volop gebruik werd gemaakt van de magie der vreemde volkeren. Reeds in de eerste vitrine van de galerie pronkt een blik sigaren van het merk Neger naast een blik van een kleinere variant die Negertjes heette. Op het eerste bevindt de sigaar zich onwrikbaar tussen twee dikke, rode negerlippen, op het tweede staan twee zwarte knulletjes met een walmend sigaartje in de hand. In het souterrain treft men ten slotte het sigaremerk Little Niggers, waarop dan ook drie donkere, fris van de cotton fields geplukte knaapjes van hun rokertje staan te genieten. De neger had het maar makkelijk, zo werd gesuggereerd: hij was een ongecompliceerde genotszoeker en eigenlijk net zo'n onbedorven natuurprodukt als het onderhavige tabaksmerk. Uiteraard drongen zich geheel andere gevoelens op als er op de verpakking van het merk Black Beauty een ravissante zwarte vrouw stond.

“Gekleurde mensen werden beschouwd als geheimzinnige wezens uit verre continenten”, stelt de begeleidende tekst op de expositie terecht vast. Ook de iets minder zwarte medemens leende zich tot versterking van dit mysterieuze imago. Talloos zijn de felrealistisch gepenseelde Indianen op de expositie, vanzelfsprekend lurkend aan een knus knetterende vredespijp, maar soms ook voorzien van een ferme sigaar. Het was blijkbaar niet van belang dat de Indiaan van het merk Cogétama onder zijn verentooi uiterst westers-blanke gelaatstrekken vertoont. Men kon het publiek heel wat op de mouw spelden. Ook de stoïcijns pijprokende Eskimo-man van het Duitse merk Eskimo is in hedendaagse ogen minder geloofwaardig dan hij zo'n zestig jaar geleden moet zijn geweest.

Het tentoongestelde is deels in bruikleen afgestaan door diverse tabaksfabrikanten en deels aangeboden door verzamelaars, die hun curiosa op de markt willen brengen. Daarvoor gelden prijzen van “enkele tientjes” voor een blikje tot ƒ 450 voor een in fraaie staat verkerend emaille-bord. Het topstuk - een ook in esthetisch opzicht bevredigend bord voor Miss Blanche - is niet te koop, omdat het eigendom is van de fabrikant. Het zou gemakkelijk ƒ 10.000 kunnen opbrengen, weet de galeriehouder. Intussen is de propagandistische waarde van de rokende amazone in dit tabaksvijandige tijdperk tot nul gereduceerd.

Foto: Roken van vader op zoon