Noord tegen zuid bij broeikaseffect

Global Warming: Who is taking the heat? Door Gerald Foley. The Panos Institute, Londen 1991. 104 blz. Prijs ¢8 4,95.

In juni van dit jaar wordt in Rio de Janeiro (Brazilië) de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) gehouden. Met zestigduizend deelnemers belooft deze conferentie de grootste vergadering aller tijden te worden. Het is de bedoeling dat er onder meer een wereldklimaatverdrag ondertekend wordt dat het broeikaseffect en de aantasting van de ozonlaag moet beteugelen.

In zijn boekje Global Warming: Who is taking the heat? zet Gerald Foley alle feiten en wetenschappelijke onzekerheden rond het broeikaseffect nog eens nuchter, overzichtelijk en toegankelijk op een rijtje. Aan hetgeen iedereen zo langzamerhand wel weet, voegt hij de Noord-Zuid-dimensie toe.

Foley schetst het dilemma waarvoor ontwikkelingslanden staan: ze zijn het meest kwetsbaar voor temperatuur- en zeespiegelstijgingen en de toenemende instabiliteit van het weer (cyclonen, droogtes, hittegolven, overstromingen), maar het minst toegerust om maatregelen te nemen. Bovendien willen zij zich economisch ontwikkelen. Zonder een hoger energieverbruik - en dus een grotere bijdrage aan het broeikaseffect - is dat onmogelijk. Ze zijn bang dat de rijke industrielanden, die zij verantwoordelijk achten voor het overgrote deel van de broeikasgassen, het broeikaseffect als argument gebruiken om hun weg naar ontwikkeling te blokkeren.

Foley gaat uit van de meest recente bevindingen van het Intergovernemental Panel on Climate Change (IPCC). Bij het werk van deze club, die is opgezet door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en World Meteorological Organisation, zijn zo'n duizend wetenschappers betrokken. Zij leveren de wetenschappelijke gegevens op grond waarvan de onderhandelingen over het wereldklimaatverdrag gevoerd worden.

Wetenschappelijke zekerheid over het broeikaseffect bestaat er nog steeds niet. Voor het onderzoek zijn zogenaamde General Circulation Models ontwikkeld. Zij verdelen de aarde en de atmosfeer in driedimensionale blokken en kunnen zo berekenen hoe temperatuur, wind, vochtigheid en andere weers- en klimaatsaspecten veranderen als er meer broeikasgassen in de atmosfeer komen. Omdat er gigantische hoeveelheden data moeten worden ingevoerd, kunnen alleen de grootste super-computers werken met deze modellen, die weliswaar heel ingewikkeld maar ook nog heel onvolkomen zijn. Ze zijn bijvoorbeeld nog te weinig gedetailleerd (ze werken met grids van 300.000 km²). Over allerlei terugkoppelingsmechanismen, die het proces zouden kunnen versnellen dan wel afremmen, bestaat nog veel onduidelijkheid. Het gaat daarbij vooral om de rol van wolken, oceanen en vegetatie. Maar volgens het IPCC gaat de discussie niet meer over de vraag of er sprake is van opwarming van de atmosfeer, maar over de omvang, het tempo en de gevolgen.

Het grote probleem is dat het te laat is om het broeikaseffect af te remmen als we volstrekte zekerheid willen hebben over de effecten. Daarom moeten er nu al maatregelen genomen worden. Foley vergelijkt het met het betalen van een verzekeringspremie. Een brandverzekering sluit je ook af zonder dat je er zeker van bent dat je huis afbrandt, een schip verzeker je ook voordat het gezonken is en militaire uitgaven worden ook verdedigd met het argument dat het een soort verzekering is tegen dreigingen vanuit het buitenland.

No regret strategy

Maatregelen als energiebesparing, uitbanning van CFK's (naast de oorzaak van de afbraak van de ozonlaag vormen CFK's ook een broeikasgas), overschakeling van kolen en olie op gas en hernieuwbare energiebronnen, vermindering van de methaanuitstoot door veranderingen in de natte rijstbouw en herbebossing ziet Foley als verstandige vormen van verzekering tegen risico's. Maatregelen waar je nooit spijt van zult krijgen omdat er nog allerlei andere voordelen aan zitten, een zogenaamde no regrets strategy.

Over het broeikaseffect is een groeiende Noord-Zuid-controverse ontstaan, die de onderhandelingen over een wereldklimaatverdrag bemoeilijkt. Daarnaast frustreert de onwillige, halsstarrige houding van de Verenigde Staten de besprekingen. Noord en Zuid schuiven elkaar de zwarte Piet toe. De Zuidelijke landen wijzen vooral op de huidige uitstoot van fossiele brandstoffen: de Verenigde Staten en Canada verbruiken met 6 procent van de wereldbevolking 27,1 procent; China met een vijfde van de wereldbevoling 9,2 procent. Bovendien hebben zij in het verleden enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen verstookt en wouden omgezet in landbouwgrond.

De Noordelijke landen daarentegen kijken vooral naar trends en constateren dat de groei in het energieverbruik in de Derde Wereld het sterkst is: in Afrika en Latijns-Amerika 40 procent in de jaren tachtig in Azië zelfs 60 procent, terwijl in de industrielanden de groei afnam tot 20 procent in de jaren tachtig. Ook wijzen ze op het toenemend gebruik van steenkool, de ontbossing en de methaanemissies uit natte rijstbouw en veeteelt.

Global responsibility is het uitgangspunt bij het zoeken naar oplossingen, maar daar zitten veel haken en ogen aan. Ontwikkelingslanden krijgen in deze discussie het gevoel dat hen, onder het mom van mondiale milieuzorg, mogelijkheden voor ontwikkeling onthouden worden die de rijke landen eerder wel voor zichzelf benut hebben. Ze vrezen dat het globale environmentalisme de bestaande economische verhoudingen in de wereld zal bestendigen.

Verborgen agenda

Adviezen dat de Derde wereld voor een ander soort ontwikkeling moet kiezen omdat de westerse ontwikkelingsweg doodlopend zou zijn, hebben een nare bijsmaak. De Derde wereldlanden verwijten de Westerse landen te werken met een verborgen agenda.

Daarom moeten Westerse landen eerst hun uitstoot van broeikasgassen maar eens verminderen, bijvoorbeeld door energieheffingen. Verder moeten ze moderne technologieën beschikbaar stellen. Verlichting van de schuldenlast en toegang tot Westerse afzetmarkten moeten er voor zorgen dat ontwikkelingslanden meer middelen krijgen om de gevolgen van het broeikaseffect voor henzelf te onderzoeken en er maatregelen tegen te nemen.

Voor een rijk land als Nederland waren de Deltawerken al een hele toer, landen als Bangladesh hebben helemaal geen middelen om een eventuele zeespiegelstijging op te vangen.