Ik schrik. Dit wicht is: ik. Maar dan wel ...

Ik schrik. Dit wicht is: ik. Maar dan wel gescalpeerd, ontrompt, platgewalst, ontkleurd, stilgezet, uitgerookt, en vastgevroren. Ik zou zó als achtste vrouw kunnen aanschuiven in de rij vrouwen van Blauwbaard, die Marlene Dumas schilderde.

Stel dat er altijd al foto en film waren, en dat ineens een gek het schilderen uitvindt. Met een kwast een plaatje maken - hoe bedenkt ze het! Met kleurenverf een gezicht malen - hoe ordinair! Alles weglaten wat niet terzake doet - hoe gemakzuchtig! Alles erbij bedenken wat er niet is - hoe onbetrouwbaar!

Ik lijk op Marlene Dumas. Marlene Dumas lijdt onder het feit dat ze op alle knappe blonde vrouwen lijkt. Het lijkt of ze met alle knappe blonde vrouwen lijdt. Zij schildert zich zoals mannen altijd vrouwen schilderen: óf languit achterover liggend op de slachtdivan, óf rechtop met alleen het aangezicht.

Daarom zijn de afmetingen van deze foto zo dreigend. Het is een liggende foto - breder dan hoog - dus geschikt voor mijn liglichaam met het hoofdje ver achter mijn machtige benen en buiken. Een gelaat is nu eenmaal een verticaal ding. Dus moest mijn hersenpan er zonder pardon af.

Vrouw (niet liggend) - mond + ogen.

Maar ik lach toch leuk? Die opmerking maakt Mona Lisa ook razend. Wie in Eindhoven kijkt naar het schilderij Het kwaad is banaal (1984), een zelfportret van Dumas, kan constateren dat de witte oogpuntjes van de flits op mijn portret bij haar witte streepjes van de kwast zijn. Ik ben kwaad want banaal. Ik pers mijn lippen opeen, daarom lijkt het of ik glimlach.

Over twee onderdelen ben ik tevreden.

1. Het linkeroor dat als een coulisse in het hoofd is geschoven. Wie goed kijkt ziet een reliëf van een beertje aan de binnenzij.

2. De rechterwang, een duinglooi boven een duinplooi. Op de luchtfoto van de linkerwang zijn die hellingen onzichtbaar.

Ja, vanwege die twee delen wil ik wel banaal tevreden grijnzen.