Grillig beleid

Het onderwijsbeleid van de overheid wordt gekenmerkt door telkens nieuwe ideeën te lanceren en deze vervolgens te laten vallen.

Mee eens: 83%. Mee oneens: 8%.

Toen enkele deskundigen in januari werden geconfronteerd met de bovenstaande uitkomst van de onderwijsenquête van NRC Handelsblad, waren ze er niet erg van onder de indruk. Prof.dr. J.M.G. Leune, voorzitter van de Onderwijsraad en veelvuldig adviseur voor de huidige bewindslieden Ritzen en Wallage, vond het met de grilligheid van het beleid wel meevallen. Onderwijswetten gaan over het algemeen lang mee, zei hij, en hij noemde als voorbeeld de Mammoetwet uit 1963. Die wordt nu pas, door de basisvorming, veranderd. Ook schaalvergroting is al enkele decennia een streven dat vrij consequent wordt uitgevoerd. De resterende grilligheden in het beeld van het beleid zijn volgens Leune ""de prijs van een open besluitvormingsproces''.

Drs. S. Boef, lid van de Adviesraad voor het Onderwijs, noemde het ""onzinnig'' dat de grilligheid van het onderwijsbeleid als belangrijkste oorzaak van de werkdruk was aangemerkt, een andere uitkomst van de enquête. Er zijn immers heel wat plannen nooit uitgevoerd. Verder heeft onderzoek aangetoond dat individualisering en de problemen van kinderen thuis veel veel belangrijker oorzaken van werkdruk zijn.

Maar de adviseurs letten alleen op de grote lijnen. Over de gevolgen van elkaar tegensprekende of te laat binnenkomende circulaires van het ministerie voor de werkdruk op scholen en voor het beeld dat scholen hebben van het overheidsbeleid hebben zij het niet. Daar komt bij dat het weinig had gescheeld of de Mammoetwet was al veel eerder gewijzigd. Als het aan oud-minister Van Kemenade had gelegen was er in het midden van de jaren zeventig al een nieuwe, omvattende wet op het voortgezet onderwijs geweest, die op de middenschool.

Na Van Kemenade probeerden ook andere ministers met wetten de invloed van milieu en sekse op de schoolkeuze te verminderen. Over nu al weer vergeten afkortingen als OPVO en VBAo verschenen nota's en golfden discussies op en neer. Ze mondden uit in wat nu basisvorming is gaan heten. De lijn in de discussies leek op die van de springprocessie van Echternach: drie stappen vooruit, twee achteruit.

De discussies over schaalvergroting kenden eenzelfde soort beweging, en ook hier is het beeld van het beleid veel minder helder dan Leune suggereert. Het streven naar grotere scholen raakte stelselmatig in conflict met die andere tophit uit het onderwijsbeleid: het garanderen van de vrijheid van onderwijs door de verzuiling. De opkomst van vernieuwingsscholen (Montessori, Jenaplan) en de eigen onderwijskundige wensen van religieuze groeperingen leidde juist tot de grondwettelijk geoorloofde oprichting van kleine schooltjes. Pogingen om de versnippering in het basisonderwijs tegen te gaan hadden dankzij fel verzet van onder meer het CDA, de provincies en onderwijsorganisaties geen succes.

Een actuele ontwikkeling die zowel verwarring zaait als de werkdruk verhoogt is de bevordering van de zelfstandigheid van scholen. Dit heeft onder meer geleid tot de invoering volgend schooljaar van het zogeheten formatiebudgetsysteem, dat scholen de mogelijkheid geeft een eigen personeelsbeleid te voeren. De decentralisatie van het personeelsbeleid blijkt echter gepaard te gaan met een bombardement aan regels die arbeidsplaatsen en werktijden tot drie cijfers achter de komma moeten vastleggen.

Bovendien confronteert de overheid het onderwijs met een hele reeks verlangens. Niet alleen de eerder genoemde basisvorming en schaalvergroting zijn daarvan een voorbeeld. Ook de nieuwe aandacht voor de pedagogische opdracht van de school die Ritzen wil, of de beoogde samenwerking met het speciaal onderwijs zorgen eerder voor een gevoel van belegering dan van ontluikende vrijheid. En als het niet Ritzen zelf is, zijn het wel zijn collega's van Justitie, Verkeer of Milieu die mooie plannetjes voor de scholen hebben.

Zolang ministers ervoor kiezen om door grote wetten structurele veranderingen in het onderwijs te bewerkstelligen zullen er vele adviezen, nota's en discussies blijven komen die het gevoel van verwarring bij ouders en leraren voeden. En zolang de overheid het ene belooft en het andere doet, zoals bij de autonomie van scholen, zal de score op de bovenstaande vragen onveranderd hoog blijven.