FREUDIAANS

De president van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen versprak zich. Het was een Freudiaanse vergissing maar het klonk zo natuurlijk dat het haast niemand was opgevallen, behalve de minister zelf.

Minister Ritzen was naar de Akademie voor Wetenschappen gekomen om een conferentie te openen over "Equipping Science for the 21st Century'. Toen de president van de Akademie aan de minister het woord gaf, noemde hij Ritzen de minister voor Wetenschap en Onderwijs. De minister merkte op dat hij van Onderwijs en Wetenschappen was en stelde expliciet dat de conferentiegangers niet hoefden te rekenen op extra geld voor wetenschappelijke apparatuur. Hij vindt wetenschap heel belangrijk en maakt zich zorgen over de deplorabele toestand van het instrumentarium aan de universiteiten, maar zijn prioriteit ligt bij onderwijs. De minister wenste het congres veel succes toe en vertrok weer naar Den Haag, waar hij de barricade op zou gaan voor het onderwijs.

De meeste congresgangers begonnen braaf aan hun zero-sum-game en kwamen met verhalen over de noodzakelijke verbetering van het instrumentarium voor het universitair onderzoek, die bereikt zou kunnen worden door verschuivingen in de begroting aan te brengen. Zelf vatte ik de woorden van de minister op als een uitdaging om met zulke goede argumenten te komen dat hij overtuigd zou raken van de noodzaak om te investeren in wetenschappelijke apparatuur. Die argumenten heb ik in de wandelgangen van het congres wel gehoord, en die zal ik hier ook geven, maar eerst wil ik het hebben over de rol van technici in de researchlaboratoria van vandaag.

Technici ontwerpen, bouwen, onderhouden en bedienen de meest moderne apparaten in het laboratorium. Voor grensverleggend onderzoek is het kopen van kant en klare apparatuur uit den boze. Als er al een apparaat gekocht wordt dan zal er altijd een innovatie aan worden toegevoegd om de onderzoekers in staat te stellen iets nieuws te ontdekken. In de meeste gevallen is de apparatuur die gebruikt wordt voor wetenschappelijk onderzoek absoluut uniek en "in huis' ontworpen door een team van onderzoekers en technici.

Internationale samenwerking is aan de orde van de dag en dit stelt hoge eisen aan de technici. Om het eigen instituut een rol te kunnen laten spelen in internationaal verband, wordt van de technici verwacht dat men komt met echte innovaties, dat men zich houdt aan de afgesproken budgetten en tijdschema's en toch flexibel is. Bovendien is apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek voortdurend aan vernieuwing toe door uitvindingen als ultra-hoog vacuüm, lasers, chips, supercomputers, nieuwe materialen, micro-mechanica, etc., innovaties die ten dele ook door het wetenschappelijk onderzoek worden gegenereerd. Tegen deze achtergrond zou men verwachten dat de technische staf van onze laboratoria belangrijk is uitgebreid. Het tegenovergestelde is het geval.

In vrijwel alle moderne laboratoria is in de laatste tien jaren het aantal onderzoekers vergroot ten koste van het aantal technici. Dit kon alleen gebeuren dankzij een significante verandering in de rol van de technici.

Zonder twijfel is de mogelijkheid tot het uitbesteden van de bouw van apparatuur bij grote en kleine specialistische firma's aanzienlijk gegroeid en het is een gouden regel geworden: niets zelf maken wat beter elders gekocht kan worden. Een van belangrijkste taken van onze technische experts is om precies te weten wat er in de wereld te koop is.

Op grond hiervan worden nieuwe instrumenten voor wetenschappelijk onderzoek ontworpen en gespecificeerd. Daarna is het de taak van de technicus om als projectleider de bouw te coördineren, eerst van de verschillende componenten en daarna de assemblage van het hele instrument. Het zal duidelijk zijn dat deze werkwijze hele nieuwe eisen stelt aan onze technici.

Er is echter nog een tweede taak weggelegd voor de technisch specialist en dat betreft het opleiden van jonge mensen. Zoals men jonge onderzoekers opleidt, door ze in teamverband te laten meewerken aan het onderzoek van een senior onderzoeker, zo kent men in het laboratorium ook de meester/gezel verhouding onder de technici. Pas afgestudeerden van de MTS of HTS vinden vaak hun eerste baan in een van onze researchlaboratoria en raken zo vertrouwd met de modernste technieken. Het is ook buitengewoon motiverend om betrokken te zijn bij het ontwerpen en in bedrijf brengen van apparatuur voor grensverleggend onderzoek. Zo kweekt men toegewijde technici die, na enkele jaren in het laboratorium te hebben gewerkt, gemakkelijk een baan vinden in de Nederlandse industrie en dus plaats maken voor een nieuwe schoolverlater.

De technische infrastructuur van wetenschappelijke research- laboratoria bestaat dus uit een kleine vaste kern van echte specialisten, op het gebied van vacuümtechniek, lasers, micro-elektronica, computers en fijn-mechanische techniek. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor het wetenschappelijk instrumentarium, maar hebben ook een belangrijke taak bij de training van toegewijde technici waaraan onze maatschappij zo'n grote behoefte heeft.

Nu terug naar minister Ritzen en de conferentie met die pompeuze titel. In de wandelgang hoorde ik een directeur van het CERN in Genève het volgende zeggen: "Onze produktiviteit wordt aanzienlijk vergroot door mensen te vervangen door machines. Dit geldt niet alleen voor de produktie van goederen maar ook van kennis. Daarom kunnen sommige industriële researchlaboratoria grote investeringen doen zonder dat het hun extra geld kost, want men reduceert het aantal medewerkers. Men schaft steeds meer apparatuur aan voor steeds minder onderzoekers. Wetenschappelijke, in tegenstelling tot industriële, researchlaboratoria hebben echter niet alleen de taak om onderzoek te doen, maar moeten ook en vooral veel hooggekwalificeerde mensen opleiden. In de wetenschappelijke research mogen de noodzakelijke investeringen niet ten koste gaan van het aantal medewerkers want dan gaat het opleidingskarakter verloren en dus is er extra geld nodig.'

Alles goed en wel, maar als minister Ritzen zegt dat hij prioriteiten moet stellen en eerst iets wil doen aan de salarissen van onderwijzers en leraren dan heeft hij natuurlijk gelijk. Vooral in de beta-vakken kiest vrijwel geen van de pas afgestudeerden voor het beroep van leraar. Van degenen die wij in de afgelopen tien jaar in ons lab hebben opgeleid en afgeleverd aan de maatschappij, koos er geen een voor het onderwijs. Men kijkt wel uit, bij de industrie kan je zeker 30% meer verdienen. Zelfs als ambtenaar, bijvoorbeeld op het ministerie van O&W, verdien je aanzienlijk meer dan als docent. Dat moet nu eerst veranderen. Er moet dus meer geld komen voor onderwijs en wetenschap, maar onderwijs gaat voor.