De Wilde verzamelde meer dan alleen maar schilderijen

Tentoonstelling: Hoogtepunten uit de collectie 1963-1984. T/m 24 mei in het Stedelijk Museum Amsterdam. Dagelijks geopend van 11-17 u.

In 1984 nam Mr E.L.L. de Wilde afscheid van het Stedelijk Museum als directeur. Bij die gelegenheid heeft hij duidelijk aangegeven wat hij zelf de belangrijkste aanwinsten van 'zijn' periode vond. De tentoonstelling Hoogtepunten uit de collectie 1963-1984 die tot en met 24 mei te zien is, vormt een getrouwe afspiegeling van die voorkeuren van De Wilde, al zijn er wel afwijkingen te ontdekken in de wijze van exposeren. In sommige zalen hangen meer of grotere werken dan vroeger en niet alle combinaties zijn even gelukkig gekozen.

Maar soms lijkt het of de tijd heeft stilgestaan. In de erezaal hangen de colorfield painters Ellsworth Kelly, Morris Louis, Kenneth Noland en Barnett Newman. Ook de loden tegels van Carl André liggen er weer als vanouds. Nieuw in dit vertrouwde ensemble zijn twee schenkingen, een schilderij van Mark Rothko, dat in 1984 werd verworven, en een Newman die onlangs door de weduwe van de kunstenaar werd geschonken. (Het omstreden grestaureerde schilderij van Newman, Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III, is hier overigens ook te bezichtigen.)

De tentoonstelling, die bijna de helft van het museum beslaat, riep bij mij het gevoel op van een zomeropstelling "revisited'. Bij een vergelijking met de laatste zomeropstelling van De Wilde in 1984 waarin hij een overzicht gaf van 20 jaar verzamelen, blijkt echter dat er, ondanks grote overeenkomsten, nogal wat ontbreekt.

De Wilde heeft nooit een geheim gemaakt van zijn liefde voor de schilderkunst. Het oog stond bij hem hoger aangeschreven dan het woord, hij was meer visueel dan theoretisch of cultuurhistorisch ingesteld. De grootste bewondering koesterde hij voor schilders als Cézanne, Matisse, De Kooning en Newman die in zijn ogen balanceren op de grens van emotie en verstand. Bij conceptuele kunst sloeg die balans door naar het laatste en zijn belangstelling daarvoor was dan ook niet groot. Toch was er in 1984 een kabinet gewijd aan het werk van Stanley Brouwn en Hanne Darboven - kunstenaars die nu afwezig zijn.

Verder waren in 1984 Nederlandse schilders en beeldhouwers ruimer vertegenwoordigd dan nu het geval is. Dat is voor een deel waarschijnlijk het gevolg van ruimtegebrek, maar dan nog: waarom is er niets te zien van Ger van Elk, Toon Verhoef, Rob van Koningsbruggen, Armando en Reinier Lucassen? Maar ik mis vooral de verstilde kabinetten met werken van Ad Dekkers of Ben Akkerman.

De expositie over De Wilde is een vervolg op Era Sandberg waarin het verzamelbeleid van Sandberg werd belicht. Terwijl Sandberg een collectie klassieke modernen en eigentijdse kunst bijeenbracht, richtte De Wilde zich, op enkele uitzonderingen na, op de kunst vanaf 1960. Dankzij deze tentoonstellingen zijn de verschillen, maar vooral ook de overeenkomsten tussen beide directeuren duidelijker geworden. Zo kochten beiden geen surrealisten, maar wel Cobra-schilders en bijvoorbeeld Roger Bissière, Bram van Velde, Antonio Saura en Ger Lataster (die overigens niet was opgenomen in deze presentaties). Sandberg verwierf al werk van Lucio Fontana, Jean Dubuffet en Jean Tinguely - kunstenaars die onder De Wilde "specialiteiten' van het Stedelijk werden.

Voor Sandberg was het Bauhaus-idee dat ervan uitgaat dat alle visuele kunsten, architectuur, schilder- en beeldhouwkunst, toegepaste kunst en design met elkaar verband houden, een bron van inspiratie. In zijn visie en aankoopbeleid speelden de toegepaste kunsten een veel belangrijker rol dan bij De Wilde. In de catalogus "20 jaar verzamelen' die in 1984 verscheen zijn deze verzamelgebieden zelfs niet opgenomen.

Tegen deze achtergrond is het opvallend dat in de tentoonstelling over De Wilde design, affiches, textielkunst, sieraden, keramiek en stoelen meer ruimte hebben gekregen dan bij Sandberg. In deze zalen merkt men dat er op het gebied van affiches en textielkunst, ondanks de geringe affiniteit van De Wilde, toch karakteristieke werken zijn verworven. Ook de collectie videokunst laat zien dat, anders dan men vermoedde - en De Wilde zelf suggereerde - het beleid minder exclusief gericht was op de schilderkunst.

De afstand tussen nu en 1984 is te gering om voor echte verrassingen te zorgen. De kwaliteit van de meeste werken stelt bij dit weerzien beslist niet teleur. Zelfs de schilderijen van Sandro Chia, wiens carrière sindsdien nogal grillig is verlopen, hebben hun charme behouden. Het is interessant om in dit verband uit de brief te citeren die De Wilde in 1983 aan Chia schreef. Hij stelt daarin dat de jonge kunstenaar die op het goede moment met de juiste, actuele kunst komt, geluk heeft. Maar, waarschuwt hij, als "de schok van het nieuwe' voorbij is dan is het uur van de waarheid gekomen: "Alleen de kwaliteit, d.w.z. de intensiteit van de visie, de macht om de verbeelding op te wekken, telt dan nog."

Wat volgt er op tentoonstelling van De Wilde, die na Sandberg's Era de bijnaam Con brio kreeg? Is de apotheose van deze reeks de laatste zomeropstelling van de huidige directeur, Wim Beeren, die in januari 1993 met pensioen gaat? Dan zal blijken of dit zeven vette of zeven magere jaren zijn geweest.