De verkersting van Pasen

Nederlands Pluimveemuseum, Bloemendaallaan 59, Barneveld, Inl 03420-14073. Di t/m vr 10-12u30 en 14-17u en op za 13-16u. Eerste Paasdag gesloten en Tweede Paasdag 10-16.

Het ging vanzelf, zei kip Cato,

of wacht 's even, het ging zó:

ik zat hier op dat ei te wachten

en toen kreeg ik een paasgedachte.

Ik keek heel dromerig naar buiten

en hoep! een ei met roze ruiten

en blauwe bloempjes op de schaal.

Is het niet beeldig allemaal?

(Annie M.G. Schmidt, Ziezo, Querido 1987, blz. 239)

Gisteren zijn de kerkklokken naar Rome vertrokken. Volgens oude verhalen vliegen op de woensdag voor Pasen de klokken naar Rome (met andere woorden: zij zwijgen, iets wat vroeger, toen zij als regel elk uur de tijd bekendmaakten, ingrijpender was dan nu) om op zaterdag weer terug te komen, rijk beladen met eieren. Paaseieren.

Sommige overleveringen kwijnen weg in nooit gelezen boeken, andere komen tot een ongekende, bontgekleurde bloei. Dat van die klokken weet niemand meer, maar het paasei, met zijn gevolg van paashazen, kuikentjes, mandjes, strikken, boterlammetjes, plakplaatjes en andere sfeerbrengers domineert nu iedere winkelstraat. Naast de warenhuizen zijn het vooral de drogisten die zich inspannen om met zo veel mogelijk snuisterijen een snelle seizoencent te verdienen. Paaslinten en paasplacemats, paasbekers, paasservetjes en een paasboeketje mogen op geen enkele paastafel ontbreken, zo dicteren reclamedrukwerk en vrouwenbladen, media overigens die elkaar steeds meer overlappen.

Wie al die paaskneuterigheid overziet, die kan één ding niet ontgaan: het paasfeest verkerstmist. De verwarring begon al met de paasstol of, voor de niet-germanisten, het paasbrood. Was er ooit verschil tussen kerst- en paasbrood? De bakkers zal het een zorg zijn, ieder feestartikel is welkom. En dan de paasboom, sterk in opkomst de laatste jaren. De paasboom, niet te verwarren met de palmpasenstok, ziet er wel anders uit dan de kerstboom: laatstgenoemde is groen, vanwege de winter, en de paasboom is een kale, grillige tak, ondanks het voorjaar. Maar het idee is hetzelfde. De ballen zijn gewoon eieren geworden, het kleurengamma is verschoven van rood-groen naar geel-groen (wie van geel houdt gaat in deze tijd trouwens aan zijn voorkeur twijfelen), de kerstfiguurtjes zijn veranderd in haasjes, en de rest wijst zich vanzelf. Gezellig, lief en feestelijk, dat zijn de toverwoorden.

Paaswenskaarten bestaan ook al. Paascadeaupapier wordt aangeboden, het paaspresentje kan niet ver zijn. Het paassierstukje - analoog aan het kerststukje - ”hoort gewoon bij een gezellige paastafel,” volgens Blokker. With Love, staat op het kaartje dat er aan hangt. Ook de paaskrans is reeds gesignaleerd, gemaakt van iets buxus-achtigs bij de bloemist, en bij de drogist van wilgetenen. Het bedenken van nieuwe folkore heeft het voordeel dat je meteen kunt kiezen voor niet-breekbare en niet-bederfelijke spullen, wat in de winkel veel gemak geeft.

Waar blijft eigenlijk de paasstal? Een landschapje van papier-mâché met wat wachters, eventueel een Mariamagdalenaatje, en een grafje dat openfloept als er op een knopje aan de zijkant wordt gedrukt?

In het Pluimveemuseum te Barneveld (waar anders) is op een tentoonstelling van versierde eieren een verrassende mengvorm van paasei en kerststal te zien. Het komt uit Peru. Het is een liggend ei, dat is opengemaakt en in zijn binnenste een piepklein stalletje te zien geeft: Maria, Jozef, twee herders, een kindje, een os en een ezeltje, allemaal in één ei, een drietje zo op het oog. Het ei kan echt zijn, de rest is aardewerk, alles vrolijk beschilderd. Maar het houdt iets verontrustends, zo'n twee-seizoenen-object.

Wie niet kan schilderen, kan altijd nog een ei versieren. Een bezoek aan het Barneveldse museumpje doet je versteld staan van de mogelijkheden om zoiets gaafs en volmaakts als een ei, dat om niets méér vraagt dan hoogstens wat te worden opgewreven, toe te takelen. Of je er nu poppetjes op schildert of kunstbloemen op plakt, of je er doosjes van maakt met openklappende luikjes waarachter nóg een ei opduikt, of simpelweg wat marmert, een ei blijft altijd een ei. Daarin ligt de sport, en tevens de tragiek van de eierversierder. Hij zit gekluisterd aan een vorm die zichzelf moet blijven.

Maar de dingen met rust laten, daar is de mensheid nooit sterk in geweest. Het versieren van eieren is een eeuwenoud gebruik dat in 1898 al een hoogtepunt bereikte met het ei dat tsaar Nicolaas II voor zijn gemalin bestelde bij Fabergé, juwelier te Parijs. Het was wel een voet hoog, en bevatte een replica van de Oespenski-kathedraal, in het binnenste waarvan men weer een wit geëmailleerd ei kon ontwaren dat een raampje had waardoor het interieur van de kathedraal te zien was. Het geheel was vanzelfsprekend bezet met edelstenen. Bovendien hielden de twee torenklokjes de tijd bij, en als je op een knop drukte, hoorde je Nicolaas' kroningshymne.

Niemand zal beweren dat het Fabergé-ei ook maar een haar beter is dan het Barneveldse ei met luikjes, met een gekleid gezinnetje er in, met metalen sierrandjes of beplakt met zijden bloemen. In een wereld die het Fabergé-ei heeft voortgebracht past mildheid jegens een jaarlijkse lawine van opgetutte eieren. En ach, een miljoen of wat kuikentjes, haasjes en lammeren kunnen er dan ook nog wel bij.