Bijbel is voor het CDA geen "politiek kookboek'

DEN HAAG, 16 APRIL. “Voor een christen-democraat is de Bijbel de grondslag, maar het kan geen kwaad als hij ook kennis neemt van bijvoorbeeld The Economist.” Dat zei Tweede-Kamervoorzitter W. Deetman, een van de auteurs van het nieuwe Program van uitgangspunten van het CDA, gisteren bij de presentatie van het partij-document in Den Haag. Dit moet de basis gaan vormen van een nieuw partij- en verkiezingsprogramma.

In hoeverre dat betekent dat het Program het Heilige Boek uit de leesmand van de Nederlandse christen-democratie moet gaan verdringen, wilde Deetman niet zeggen. “Of de C van het CDA wordt aangezet of afgezwakt in het program moet de partij in de komende discussie maar uitmaken”, zei hij prof.dr. P.A.J.M. Steenkamp na, de "oprichter' van het CDA die de leiding had van de commissie.

Wel was het Deetman opgevallen dat “veel minder” dan tien jaar geleden, bij het voorbereiden van het vorige program, “de commissie-leden elkaar confronteerden met de vraag of men wel principieel genoeg was of niet, en hoe de principes van de andere fusie-partijen zich konden verhouden tot die van de eigen stroming of bloedgroep.” Deetnam betitelde die discussie kortweg als een “hypotheek” die “na ruim tien jaar CDA is verdwenen.”

Ook partijvoorzitter Van Velzen zag in het dokument tekenen van een partij “die wil vernieuwen met gezond verstand en die het goede wil behouden”. Natuurlijk, “we mogen niet pragmatisme tot leidend beginsel verklaren voor politiek handelen”. En: “Als christen-democraten laten we ons leiden door het Bijbels getuigenis van Gods beloften”. Maar, aldus Van Velzen, “de Bijbel is geen politiek kookboek, of een soort encyclopedie om antwoorden op hedendaagse vragen te vinden.” Hij verklaarde: “Voor mij is het van belang dat er continuïteit heerst.”

Van Velzen toonde zich dan ook niet erg onder de indruk van de kritiek die twee jonge CDA'ers van het Wetenschappelijk Instituut twee weken geleden in deze krant uitten op de dagelijkse politiek van hun partij. Die zou te weinig in het teken staan van christen-democratische principes als "solidariteit' en "eigen verantwoordelijkheid' en te veel worden beïnvloed door financiële overwegingen. “Zo lang je als beginselpartij tracht te reflecteren op je grondslag”, aldus Van Velzen, “zullen er altijd mensen zijn die vinden dat die meer in het politiek handelen tot uitdrukking moet komen, maar ook mensen die vinden dat dat juist minder moet gebeuren.”

Wel lieten zowel Van Velzen als premier Lubbers op de partijbijeenkomst in Den Haag blijken dat wat hun betreft de nadruk in de discussie over het program zou moeten liggen op, in de woorden van Lubbers, “het cultureel appel van de herstelde verantwoordelijkheid”. De oproep tot een grotere eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties dient daarbij volgens de twee niet als dekmantel voor bezuinigingen van de overheid. Lubbers zag de oproep als het “afkicken van de verslaving aan de politiek die er, ondanks alle kritiek op het openbaar bestuur, nog steeds is.”

Niet alleen Nederland, maar ook Europa kan daar alleen maar beter van worden, zei W. Martens, de christen-democratische oud-premier uit België die gisteren ook van de partij was. Maatschappelijke organisaties kunnen in zijn ogen een stabiliserend weefsel vormen in de nog instabiele democratieën van Midden- en Oost-Europa. Het christen-democratische gedachtengoed -“geen ideologie” aldus Martens, “maar een programma” - zou daarmee een derde weg kunnen gaan vormen tussen “het oprukkend vrije-markt-liberalisme en de oude, communistische orde.”