Armoede ligt niet aan verschil in culturen

De arme landen in de wereld hebben de afgelopen vijfentwintig jaar enorme vooruitgang geboekt. Die vooruitgang was groter dan die van de Verenigde Staten tijdens hun sprint naar economische wasdom. De kindersterfte is gehalveerd. De economie groeit, vooral doordat regeringen steeds meer marktprikkels zijn gaan toelaten. Beperkende regels zijn afgeschaft, het zakenleven is geprivatiseerd en op elk continent zijn handelsbelemmeringen geslecht.

Zet dit proces zich voort? Zullen de vroeger communistische landen er aan deelnemen? Velen zijn er sceptisch over en menen dat culturele barrières een hindernis voor groei vormen. Volgens hen missen de burgers van de voormalige Sovjet-Unie de kapitalistische instelling. Zo stond er boven een recent artikel over Latijns Amerika de kop: "Sommigen vinden de wortels van de malaise van het gebied in op het kolonialisme gebaseerde culturele waarden'. Zelfs de stagnerende groei van de VS in relatie tot Japan wordt vaak geweten aan cultuur.

Het denkbeeld dat lage groei voornamelijk te wijten is aan een tekortschietende cultuur is een gevaarlijke mythe. De geschiedenis leert dat de cultuur geen belangrijke hinderpaal kan vormen voor vooruitgang, en wel om de eenvoudige reden dat cultuur maar langzaam verandert, terwijl economische prestaties er snel kunnen komen. De mislukkingen van vandaag zijn de successen van morgen, en omgekeerd.

Zelfs de meest pessimistische inschattingen van de Sovjet-groei bijvoorbeeld tonen hoe de persoonlijke inkomens in de jaren veertig, vijftig en zestig met historisch gezien indrukwekkende sprongen van drie procent per jaar zijn gestegen. Hoewel het communisme sindsdien onder zijn eigen gewicht is bezweken, is die groei binnen een slecht systeem een illustratie van het produktieve potentieel van het Sovjet-volk. Managers die hebben kunnen omgaan met de administratieve chaos van een planeconomie, kunnen dat waarschijnlijk ook met een markteconomie.

In Latijns Amerika kunnen de rampen van de jaren tachtig makkelijk doen vergeten hoe goed die regio het er daarvóór van af bracht. Haïti, nu een mislukking, vertoonde tussen 1968 en 1980 een grotere exportgroei dan Japan. In dezelfde periode groeiden drie Latijns Amerikaanse landen - Brazilië, Ecuador en de Dominicaanse Republiek - sneller dan welk geïndustrialiseerd land ook en groeiden vijftien andere landen (inclusief het vaak zo zwart gemaakte Argentinië) sneller dan de VS. De ineenstorting van de groei van Latijns Amerika in de jaren tachtig had niets te maken met culturele omstandigheden en alles met overheidstekorten en het mismanagement van buitenlandse gelden. Landen als Chili en Mexico, die die problemen hebben opgelost, hebben - als de grootte van de kapitaaltoestroom en de opleving op de aandelenbeurzen een indicator vormen - een goede toekomst.

Het argument dat de cultuur een belemmering voor groei vormt zou wel kunnen opgaan voor Afrika. In tal van landen daar zijn immers sinds de uitroeping van onafhankelijkheid de inkomens per hoofd van bevolking gedaald. Maar in Afrika zie je ook een land als Botswana met hoogste groei van de inkomens per hoofd ter wereld in de afgelopen vijfentwintig jaar. Een hervormingsgolf overspoelt Afrika op dit ogenblik.

Het denkbeeld van culturele barrières voor welvaart is in het verleden vaak verkeerd gebleken. Max Weber, die de Westerse welvaart heeft verklaard met zijn uitleg van de "protestantse ethiek', heeft het Confucianisme als anti-kapitalistisch belachelijk gemaakt. Het feit dat Japan en Korea twee van de - op langere termijn - hoogste groeicijfers uit de geschiedenis hebben, brengt sommigen er nu toe te beweren dat “de confucianistische ethiek” het culturele geheim van dat succes is.

In 1952 heeft een econoom, Hubertus van Mook, over Zuidoost-Azië geschreven: “De eeuwenlange invloed van het Westen (-) is er met slechts een paar uitzonderingen niet in geslaagd de economische activiteit en ondernemingslust over te planten in het hart en de geest van deze volkeren. (-) De sociale solidariteit, de publieke mentaliteit en de economische energie, noodzakelijk voor een krachtige opleving, ontbreken.” Sindsdien hebben Zuidoost-Aziatische landen als Thailand, Maleisië, Singapore en Indonesië hun inkomens verdrievoudigd.

Nobelprijswinnaar James Meade heeft in 1967 over de economie van het Afrikaanse eiland Mauritius geschreven dat de “vooruitzichten voor een vreedzame ontwikkeling slecht zijn. “De geschiedenis van het eiland heeft de underdog ertoe gebracht in zijn mentaliteit geen onderscheid te maken tussen handenarbeid en slavernij. (-) Afgezien van de produktie van suiker, waarvoor een traditionele belangstelling bestaat, ontbreken ondernemingszin en goed management helaas.” In 1970 heeft de regering van Mauritius een exportverwerkende zone ingesteld die veel succes had bij het ontwikkelen van uitvoerprodukten naast suiker en die heeft geleid tot een groei van de werkgelegenheid in de verwerkende industrie van twaalf procent per jaar. In de jaren tachtig had Mauritius een van de hoogste groeicijfers van het inkomen per capita in de wereld.

Cultuur kan niet zo belangrijk zijn wanneer overeenkomstige culturen zo verschillend van elkaar reageren op verschillende prikkels. Verdeelde landen als Noord- en Zuid-Korea en vroeger Oost- en West-Duitsland zijn goede voorbeelden van identieke culturen en verschillende resultaten. De legendarische laksheid van de Russische arbeiders verdwijnt als ze de grens naar de vrije markt van Polen overschrijden, waar ze worden gerekend tot de beste arbeiders.

Het primaat van economische prikkels boven de cultuur, is goed nieuws voor moedige hervormers. Ze staan oog in oog met grote obstakels, maar culturele inertie behoort daar niet toe. Zelfs in de diepste economische depressie hebben mensen het potentieel voor toekomstige welvaart.

Foto: In arme landen is de afgelopen dertig jaar grote economische vooruitgang geboekt. Melkfabriek in India (foto NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel)

© Financial Times