Wie zijn er op drift?

Opnieuw Jacques Attali. De president van de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling heeft in Boedapest een reeks klemmende aanmaningen laten horen waarvan de gemeenschappelijke strekking is dat het Westen veel meer moet doen om de gevolgen van de ineenstorting in het Oosten te bestrijden - niet uit altruïstische overwegingen maar omdat het eigenbelang ertoe dwingt.

Dreigende lekkages in kerncentrales, het vraagstuk van de nucleaire dump zijn risico's die althans het voordeel hebben dat ze aanwijsbaar zijn. De enorme tijdbom van onbekende structuur is de voormalige Sovjet-maatschappij zelf. De 24 miljard dollar door een aantal Westerse landen vorige week aan Moskou in het vooruitzicht gesteld, plus het op zichzelf niet geringe dat door de Duitsers is ondernomen, plus datgene wat Attali's EBRD zelf doet, plus allerlei ondernemingen die buiten deze inventarisatie vallen: 't is bij elkaar heel wat, maar iedereen die enigszins met de omvang van de puinhoop op de hoogte is, weet dat er veel meer moet komen, in geld en vindingrijkheid.

Attali maakt duidelijk waarom. De postcommunistische crisis heeft het Oosten voor een geweldige krachtproef gesteld, nieuwe staten, desorganisatie en een paar lokale burgeroorlogen doen ontstaan, maar dat alles is nog niet voldoende geweest om de zware draagbalken van de structuur te breken. De belangrijkste diensten werken rudimentair, maar ze werken nog. Als daar het instorten begint, zal dat het einde betekenen van de luxe die het Westen zich na het einde van de Koude Oorlog heeft veroorloofd. Dan wordt alles onvoorspelbaar, behalve dat het op niet te becijferen manier slechter zal worden. Dat, ongeveer, is de politieke boodschap van Attali die op de economische volgt.

Waarom is het Westen tot dusver niet in staat gebleken, zo'n evidente uitdaging te beantwoorden? Het antwoord ligt voor de hand: omdat het zelf in crisis is, een dragelijke vorm van crisis die het dagelijks leven van de grote meerderheid nauwelijks aantast en waarvan de tekenen nog gemakkelijk weggewimpeld kunnen worden als bijverschijnselen van een "overgangsperiode' (wat ze misschien wel kunnen blijven) maar toch: een kern van crisis. De eerste tekenen zijn de stembusuitslagen en, nog meer, de daaraan voorafgaande verkiezingsstrijd in de belangrijkste landen van het Westen. Het vraagstuk van de immigratie, werkloosheid, recessie of dreigende recessie: het heeft allemaal nog kortgeleden een rol gespeeld in België, Duitsland, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië, en in de loop van het jaar zal in de Verenigde Staten ongeveer hetzelfde gebeuren. Nieuwe, voornamelijk rechtse partijen trekken veel meer kiezers dan de experts hadden verwacht.

Natuurlijk mag de nationale context niet uit het oog worden verloren, er zijn hemelsbrede verschillen, maar zoals men zegt: de kiezers zijn op drift. Dat mag waar zijn, maar is het in een democratie niet zo gesteld dat de kiezers worden voorafgegaan door een aantal politici met programma's waaruit ze hun keuze moeten maken? Is het dan niet onbillijk, de schuld bij de kiezers te leggen? Als de "kiezers op drift' zijn, moet men zich afvragen of de politici en de partijen zich misschien ook wel in die toestand bevinden. "Op drift zijn' betekent: geen vaste koers meer hebben. Aan politici hebben de kiezers geen gebrek, maar wel aan een vaste koers, en de politici zijn ervoor om die met overtuigingskracht uit te zetten.

Keren zoveel kiezers zich dan uit onbehagen van de gevestigde politiek af, terwijl zoveel anderen er bij gebrek aan beter lippendienst aan bewijzen? Er zijn geen betrouwbare methoden om het onbehagen te meten; men doet het op gevoel en men beredeneert het historisch. Het onbehagen heeft zich al meer laten gelden: in de jaren zestig toen het korte tijd gedaan leek met de "vermolmde structuren'. Later is gebleken dat het een oppervlakkig onbehagen was dat veranderingen heeft veroorzaakt die misschien dieper zijn dan "kosmetisch' maar niet diep genoeg om fundamenteel te worden genoemd. Het belangrijkste is dat de verhouding van allerlei minderheden ten opzichte van de meerderheid ten gunste van eerstgenoemde is veranderd.

De jaren zestig speelden zich af in het midden van de Koude Oorlog. Die wereldwijde krachtmeting heeft de betrokken samenlevingen sterker in het harnas gehouden dan men toen veronderstelde. Het einde van de Koude Oorlog is van veel dieper invloed dan de "aantasting van het bestel' waarin men zich destijds vermeide nadat men tot de overtuiging was gekomen dat bepaalde kanten van dit bestel zichzelf hadden overleefd. Bijgevolg mag men vermoeden dat een wereldbestel dat zich door het einde van de Koude Oorlog heeft overleefd en zich niettemin in grote trekken handhaaft, een veel dieper onbehagen zal wekken.

Een politieke elite heeft in wezen twee opdrachten: de maatschappij zo redelijk mogelijk gaande te houden maar behalve dat: programma's te ontwerpen waardoor aan de veranderingen het hoofd kan worden geboden terwijl de kiezers de overtuiging zal worden gegeven dat ze daardoor liefst betere tijden tegemoet gaan. De politiek in het algemeen wekt nauwelijks de indruk dat ze de continuïteit zal kunnen bewaren, laat staan dat ze in staat is op de aangegeven manier de enorme veranderingen ten goede te kanaliseren.

Dat is niet uitsluitend een vraagstuk van de binnenlandse of de buitenlandse politiek; het is een totaal-probleem dat valt terug te voeren op het gebrek aan verbeeldingskracht van de Westerse politieke elite. Bijgevolg wordt de crisis in het Oosten niet meer alleen veroorzaakt doordat het communistisch systeem is ineengestort. Er is een toegevoegde oorzaak: het gebrek aan antwoord van het Westen. En dat is weer een onderdeel van een complex van gebreken die zich ook in de binnenlandse politiek van ieder land afzonderlijk laten vaststellen.

"De politiek' heeft zichzelf opnieuw overleefd, in ruimere mate dan in de jaren zestig. Dat heeft Jacques Attali, de eerzuchtige filosoof-bankier goed begrepen, misschien wel dankzij die, voor deze tijd zo passende combinatie van beroepen.