Wandeling (1)

De klok in het dorp slaat elf keer. Het is dus al vijf over twaalf. Ik moet voortmaken.

Om één uur heb ik een afspraak in een van de dorpen onderaan de heuvel waarop ik woon. En mij heeft de luim bevangen, zoals een negentiende-eeuwer zou zeggen, om er te voet heen te gaan. Niet over de verharde weg die met een grote boog van hieruit door het dal slingert, maar over de zandweg rechtstreeks de heuvel af.

Een heuse wandeling dus. Hoewel ik dagelijks, ijsberend binnen de vier muren van mijn kamer, vele kilometers afleg, ben ik niet het type wandelaar dat enthousiast de natuur intrekt. Maar het is zomer en een hoofd raakt wel eens op hol.

De kleine Ambrosia, de hond, moet mee. Een wandeling zonder hond lijkt me de ware natuurwandeling niet. Vandaag is de geest van Tarzan over mij vaardig.

Ik schat dat de bestemming in een klein uur te bereiken is. Ik wandel en wandel en fluit vrolijke trekkersliedjes. De hond kwispelt. De bij zoemt nijver. De mug steekt dapper. Ik geef de vogels boven mijn hoofd namen en sta nu en dan in een schilderachtige houding stil om een plantje te determineren. Of de namen erg kloppen, ik geloof er geen zier van, maar ik heb zo het gevoel dat ik het aan Maarten 't Hart verplicht ben. Ik wil mijn best doen, want de natuur doet ook haar best. Ze doet vandaag niets anders dan mij toelachen. Het is dan ook een wandeling heuvelafwaarts, dat helpt.

Ik loop een uur, anderhalf uur, twee uur en bevind me ineens in een heel ander dorp. Ik moet bij een tweesprong het verkeerde pad hebben genomen. Een afwijkinkje van een paar meter misschien, maar je komt, als je maar lang genoeg doorwandelt, aan een heel andere kant van de heuvel naar beneden. Een kilometerpaaltje zegt me dat het, over de verharde weg om de heuvel heen, nog negen kilometer is naar het dorp waar ik mijn afspraak had. Natuur, wat zijn uw optische illusies ontzagwekkend!

Het is, moet ik eerlijk bekennen, ook eigenlijk geen heuvel die ik ben afgedaald, het is meer iets van een berg. Nee, niet iets van een berg, gewoon een stevige berg. Het zal mijn Hollanderschap zijn dat ik het zo bescheiden wilde voorstellen. De Hollander heeft nu eenmaal een hardnekkige instantie in zich die hem toebrult om allerlei zaken kleiner voor te stellen dan ze zijn. De Portugese gewoonte om iedere beek een rivier, iedere geplaveide straat een avenue en iedere ongediplomeerde ketellapper een ingenieur te noemen zal ik wel nooit goed onder de knie krijgen.

Er staat me een lange tocht te wachten. De zon loeit en de hond kwispelt ook al niet meer. De Tarzan in me verschrompelt. Om een uur of vier ga ik aan de kant van de weg liggen, onder de eerste boom die een beetje schaduw geeft, en vraag me niet hoe die rotboom heet. Een calabix flucculus. Ambrosia valt naast me neer en we slapen tegelijk in.

Ik droom dat ik Ambrosia dood langs de weg zie liggen en dat iemand mij tegelijkertijd een levende Ambrosia in de arm duwt, die als twee druppels water op haar lijkt. Een lauwwarm gevoel doorstroomt me in mijn droom, een gevoel van troost omdat ik mijn hond terug heb, want ik ben nu eenmaal erg verkikkerd op dat harige netentapijtje, maar op hetzelfde moment is daar die hevige vertwijfeling: is zij het wel? Hebben ze me niet als troost een fophond in de arm geduwd? De vertwijfeling maakt dat ik wakker schrik.

De zon is een beetje gezakt, zoals dat gaat in de natuur. Telkens weer, mirakels genoeg.

(wordt vervolgd)