Rook om rook, drank om drank

Nederlanders zijn ferme rokers en straffe drinkers, en dat zijn ze altijd geweest. “Tabak vrolijkt hun gezelschap op en tabak bekort hun de eenzaamheid”, vertelt ons een 17de-eeuwse reiziger. En een eeuw eerder was het de Italiaan Guicciardini al opgevallen dat Nederlanders stevig dronken: “zij keuren weliswaar de dronkenschap af, maar kunnen zich er wegens ingewortelde gewoonten niet aan onttrekken”. Dit oude dilemma van genot en zonde, van schuld en boete houdt ons nog steeds in de greep.

Drinkers zijn liederlijke seksisten, die vrouwen mishandelen en verkeersslachtoffers maken, en rokers zijn vieze stinkers die met hun giftige walmen de gezondheid van onschuldige "mee-rokers' bedreigen. Althans, zo wordt ons de keerzijde van de medaille voorgehouden. Over de glanszijde van de rook- en drinkrituelen horen we weinig; de enkeling die erover schrijft is even uitzonderlijk als een Victoriaanse pornograaf. Roken en drinken worden, zoals prostitutie en drugs, steeds verder verplaatst naar de gedoogzones van de besmuikte beschrijvingen.

“Slechts de namen van de grote drinkers leven voort”, hield de dichter Riekus Waskowsky ons voor, en A.F.Th van der Heijden bezong in "Advocaat van de hanen' de lyriek van de kwartaaldrinker, maar erg bemoedigend liep het met deze alcohol-addicten niet af; van jubel geen sprake. Waar zijn de kunstenaars die ons bevrijden van het schuldgevoel over onze "ingewortelde gewoonte'? De herauten van het drinkgelag, die zich kunnen meten met Tom Wolfe's "De laatste der grote rokers'? Wolfe, die zulke heerlijke woorden van tevredenheid en tabaksgenot schreef, dat de niet-roker betreurt ooit gehoor te hebben gegeven aan de oproepen van de anti-rookbrigade. Die ons met weemoed doet terugdenken aan de mannen die konden autorijden met een sigaret op de lip, één oog half dichtgeknepen. Aan de tabaksacrobaten die de dampen van hun "zeven centimeter nicotine, teer en zaligheid' gulzig inhaleerden tot in de toppen van de tenen, en die met de afgewerkte rook kringelende kunstwerken wisten te schrijven boven hun tevreden hoofden. Verguisd en verketterd zijn zij, de jongleurs van het glas en de bolknak, verdreven naar de nevelige achterkamertjes waar zij hun zondige lusten mogen botvieren.

In het anti-rookspotje van Postbus 51 tracht een tabaksjunk, Paul geheten, zijn aanstootgevende zuigwerk te beoefenen in een openbare ruimte. Mooi mis, dus. Als zijn collega's één voor één binnenkomen (“Môge Paul, goed weekend gehad?”) moet hij alle lenigheid van tong en wangzak aanwenden die de ware roker eigen is om z'n paffertje mondinwaarts aan het oog te onttrekken. Totdat zijn buis van Eustachius hem verlost van de overdruk, en de rook in krachtige pluimen uit zijn oren spuit. Over tabaksacrobatiek gesproken.

Niet veel beter vergaat het de bierliefhebber in Discotheek 51, die zich de glazen pils kolkend door het keelgat giet, daarvoor beloond wordt met een oorvijg van een pittig vrouwspersoon, en die vervolgens de klagelijk gezongen uithaal “Do you know, do you care?” moet incasseren. Drank maakt meer kapot dan je lief is. Maar om ons dat in te peperen laat de overheid zich wel van de extreem bekleuterende kant zien; als de kinderjuf van het "aangeleerde afleren'.

Iedereen weet dat de staat hier spreekt met dubbele tong. De Nederlander is verslingerd aan roken en drinken, maar de Nederlandse overheid is verslaafd aan de tabaks- en alcoholaccijnzen. Drie miljard gulden per jaar, daar kan menig ministerie een aardige sigaar van roken. Het verklaart waarom het drank-, rook- en drugsbeleid op zijn zachtst gezegd curieus in elkaar zit. Van onze bevolking drinkt ruim 80 procent alcohol, eenderde rookt en een klein percentage is aan de harddrugs. Al deze groepen vormen zogezegd een gevaar voor zichzelf en voor de omgeving. De één maakt zijn medemens verkeersdood alvorens zelf te sneuvelen aan leververvetting, de ander draagt zijn longkanker over via onvrijwillig meeroken, en de derde voorziet het bureau Slachtofferhulp van klandizie voordat hij ten onder gaat aan overdosis of HIV-besmetting. De verslaafde is zijn medemens een wolf. Maar voor de overheid zijn niet alle beesten gelijk; de ene categorie valt onder de beschermde diersoorten, en op de andere mag vrij worden gejaagd. In Nederland liggen de rokers en de drinkers onder vuur, maar “het Verdovende Netwerk en de uitzinnige tolerantie tegenover drugs” blijven buiten schot. Vanwaar die dubbele moraal?

In "De laatste roker' schrijft W.F. Hermans dat “de Amerikanen na de alcohol-drooglegging nog veel meer waren gaan zuipen dan vóór het verbod. Als alle verboden was de drooglegging een goudmijn voor de mafia geworden”. Daar zit 'm de kneep! In alle verboden schuilt een potentiële goudmijn. Voor de mafia in echte verboden, voor de witte-boorden-camorra in morele geboden. Praat de mensen een zonde aan en ze zijn bereid tegen elke prijs een aflaat te kopen. Daarom is dat handjevol noodlijdende junks niet interessant. Maar fikse groepen welgestelde rokers en drinkers, daar kan de schoorsteen aardig van roken.

En als het financieringstekort blijft toenemen, dan kunnen we er nog wel een paar verzinnen: reinigingsrecht voor neuspeuteraars, hinderheffingen op nafluiten en kontkrabben, vermakelijkheidsbelasting voor gewenste intimiteiten op de werkvloer. De mens is zwak en zondig, en de overheid aarzelt niet daar met de morele zweep klinkende munt uit te slaan.

Zonder verdoving is het leven ondraaglijk. We kunnen ons slechts een weg banen door dit tranendal dankzij politiek fanatisme, religieuze vervoering, strenge ascese of psychotrope stoffen, en de laatste methode is het eenvoudigst. Juist in die zwakte, in die hunkering naar bedwelming schuilt de goudmijn van de overheid. Zij kastijdt haar onderdanen met Postbus 51-spotjes: rook om rook, drank om drank. En met behulp van wat de Franse journalist Chartier noemt: een angstaanjagende Nederlandse "boete-cultus' draait zij ons de duimschroeven aan. “Het is net als in sommige incestueuze relaties: het slachtoffer wordt op zo'n manier onder druk gezet dat het affiniteit met de beul begint te voelen.”

We kunnen niet zonder roesmiddelen en brallen aan de rokerige stamtafel luid voor ons uit. Maar we sidderen voor de man met het blaaspijpje en geven bij elk glas dat we drinken een verzoenend rondje voor de Staat.

De anti-alcohol- en anti-tabakreclame laat het mes van de Nederlandse moraal aan twee kanten snijden: enerzijds daalt het gebruik van genotmiddelen, maar tegelijk neemt het schuldbesef zodanig toe dat 's lands schatkist volstroomt met steeds gullere zoenoffers.

Illustratie Jack Prince