Popzanger Friday in Utrecht; "Het rebelse mis ik in rock'n'roll'

De Ierse popzanger Gavin Friday geeft morgen, donderdag 16 april een concert in Vredenburg, Utrecht. Een gesprek met de man die door punk werd geïnspireerd maar nu ongecompliceerde rock maakt.

“Rock'n'roll is a pussycat,” zingt Gavin Friday op zijn nieuwe plaat Adam 'n' Eve, “dead and buried in the USA.” De Ierse zanger voelt zich nauwelijks verwant met andere hedendaagse popmuzikanten. Pop, vindt hij, is een ongevaarlijk consumptieartikel geworden. “Michael Jackson verkoopt platen aan vierjarigen. De markt wordt beheerst door mensen van boven de vijftig, die cd's kopen van platen die ze kennen van dertig jaar terug. Het zou me niets verbazen als Lady Di opeens zou verkondigen dat Nirvana haar favoriete groep is.”

Gavin Friday groeide op in de jaren zeventig, “toen het nieuwste plaatje van T. Rex of Roxy Music mij in de opperste staat van geluk kon brengen. Popmuziek was een manier om je af te zetten tegen de oudere generatie. Misschien heb ik een al te romantisch idee van wat rock'n'roll zou moeten zijn, maar ik vind dat een artiest er zijn levensvisie in uit hoort te dragen. De rebelse uitstraling van de eerste punkgroepen heeft een enorme indruk op me gemaakt. Op het moment dat ik de Sex Pistols voor het eerst hoorde, wist ik dat ik een band zou beginnen.”

Uit een klein vriendenclubje in Dublin werd vrijwel de hele Ierse new wave geboren. Terwijl Paul "Bono' Hewson wereldberoemd werd als zanger van U2 zocht Gavin Friday de confrontatie in de Virgin Prunes, een groep die een intrigerende combinatie bracht van avantgardistische popmuziek, cabaretinvloeden en een aan exhibitionisme grenzende performance. De twee vocalisten hulden zich in jurken, bekladden elkaar met modder en schreeuwden zich de longen uit het lijf. Friday kijkt met gemengde gevoelens op die periode terug, nu hij het even uitbundige als verwarrende anarchisme van de Virgin Prunes inmiddels enkele jaren achter zich heeft gelaten. “De oorspronkelijke spontaniteit was een cliché geworden en het publiek kwam uiteindelijk alleen nog maar om zich te vergapen aan onze gekke capriolen.”

Met hulp van de klassiek geschoolde pianist Maurice "The Man' Seezer, die op dat moment geen enkel benul had van popmuziek, maakte Gavin Friday in 1989 zijn eerste soloplaat Each Man Kills The Thing He Loves. Zijn liederen over "liefde, dood en alles daar tussenin' werden in eerste instantie gekenmerkt door de theatrale uitvoering, waarbij het werk van Kurt Weill en Jacques Brel als referentiekader diende.

Op Adam 'n' Eve laat hij die min of meer tijdloze benadering gedeeltelijk varen, want het nieuwe album bevat enkele opzettelijk banale popsongs in de vorm van het vakantielied Fun And Experience en de ongecompliceerde rocker King Of Trash.

“Met mijn muzikale achtergrond is het niet zo moeilijk om een experimentele, avangardistische plaat te maken. Als het moet draai ik die in anderhalve dag in elkaar. Daar staat tegenover dat het een nieuwe uitdaging voor me was om dergelijke tamelijk eenvoudige nummers te maken, toegespitst op een aanstekelijke melodie. Het bloedserieuze imago waarmee ik mezelf had opgezadeld, begon me tegen te staan.”

“Ik ben geen rocker, maar ik beschouw rock 'n' roll als een stijlvorm waarmee je op een grappige manier kunt stoeien. In zekere zin is Fun And Experience een poging om zo triviaal mogelijk te klinken, maar tegelijk gebruik ik de taal van de straat op een manier zoals James Joyce het gedaan zou hebben. Het is de meest Ierse tekst die ik ooit heb geschreven, over een macho-man die zich laat inpalmen door een van zijn veroveringen. Pas als je tussen de regels over sex, zon en onbekommerd vermaak door kunt luisteren, begrijp je dat het een lied is waarin die stoere bink op zijn nummer wordt gezet. Popmuziek is een prachtig medium om op een luchtige manier allerlei serieuze zaken aan de orde te stellen.”

De naam van zijn begeleidingsgroep The Big No No werd ontleend aan het gelijknamige nummer. “In feite is het een protestsong, tegen mensen die overal ja op zeggen. Ja tegen racisme, ja tegen politici, ja tegen popmuzikanten die hun naam verbinden aan de hoogst biedende sponsor. Van Johnny Rotten heb ik indertijd opgestoken dat ik niet in die ja knikkende massa op wil gaan, maar dat ik als individu mijn eigen spoor wil trekken. Daarom speel ik graag de rebelse negatieveling, die voor de verandering eens overal tegen is.”

“In de popmuziek van vandaag mis ik dat rebelse aspect, de stem van de tegencultuur. Geen wonder, nu er een publiek is dat alleen nog maar naar muziek luistert bij het sporten of tijdens een treinreis. Bovendien verwijst de groepsnaam naar de Ierse showbands die mij het leven zuur gemaakt hebben met gladde cover-versies van de Boomtown Rats en andere punkfavorieten. Die orkesten hadden altijd namen als Dickey Rock And The Big Miami, The Big Ace of The Big Sound. Afschuwelijk, vond ik dat. Mijn wraak bestaat uit het feit dat ik nu zelf als Gavin Friday And The Big No No op tournee ga.”