Improvisatie was troef bij hulp na aardbeving

De voorlichting aan burgers hoe zij moeten handelen bij een aardbeving moet grondig worden verbeterd. De radio moet bij rampspoed altijd aan, maar of binnenblijven het juiste advies is, is sinds de aarschok van maandag omstreden.

ROERMOND, 15 APRIL. Vandaag heeft voorlichter M.J.H. Helwegen van de gemeente Roermond overleg met collega's uit de streek over een te voeren campagne 'voorlichting bij rampen'. Dat is puur toeval: campagne en overlegmoment waren al vastgelegd voor er sprake was van de aardbeving die iedereen hier bezighoudt.

“De elementaire afspraak luidt: trek bij gevaarlijke situaties de aandacht van de bevolking via het loeien van de sirenes”, zegt Helwegen. “De burgers moeten dan weten dat ze binnenblijven en de radio aanzetten voor nadere informatie. Alleen twijfelen we sinds de aardbeving of het advies binnenblijven wel zo goed is. Dat zal vandaag zeker ter sprake komen.”

Van loeiende sirenes was geen sprake in Roermond en Radio 3, de enige reguliere zender die 's nachts in Nederland in de lucht is, beperkte zich tot het vaste programma.

In het crisiscentrum in de brandweerkazerne kwamen loco-burgemeester H. Derks, politiecommandant L. Romeijnders en de regionale brandweercommandant ing. G.W.A. Cloosterman maandagochtend rond vier uur al tot de conclusie dat het ging om een “beperkte calamiteit”. Het crisisteam achtte het echter niet nodig via het ministerie van Algemene Zaken zendtijd te laten vorderen om de bevolking op de hoogte te stellen van de aardbeving.

Met Radio-Roermond en Radio-Zuid bestaat overleg over het inschakelen van die zenders om de bevolking te informeren bij incidenten op lokaal niveau. “Maar het probleem is dat deze omroepen niet voortdurend in de lucht zijn”, zegt Cloosterman. “Deze keer hebben we ze niet ingeschakeld. Ze zijn door ons net zo behandeld als de andere media en hebben later die maandagochtend gezorgd voor keurige berichtgeving.

In Roermond kregen de geschrokken burgers die via het 06-11 nummer contact zochten met de overheid, volgens Cloosterman geen nadrukkelijke adviezen. “Ook wij hadden dit nog nooit aan den lijve ondervonden.” Hij spreekt van het stabiliseren van de toestand tot zeven uur die maandagochtend en het toen 'heel geleidelijk opstarten van de hulpverlening'. “Die eerste stroom telefoontjes nam ook snel weer af”, kijkt hij terug. “Maar toen het licht werd, kwam er een tweede en nog veel extremere piek en nu ging het vooral om schademeldingen.”

Gouverneur E. Mastenbroek heeft eerder deze week al laten weten dat het rampenscenario niet heeft voldaan, met name omdat de communicatie naar hem toe gebrekkig zou zijn geweest. “Het is maar net wat hij daaronder verstaat”, reageert Cloosterman. “We hebben dit niet gezien als een ramp, zijn wel onmiddellijk overgegaan tot actie, maar hebben de provincie waarschijnlijk niet zo intensief voorgelicht als hij verwachtte.”

De rampenwet van 1985 bepaalt dat alle Nederlandse gemeenten vanaf 1 maart 1989 over een eigen rampenbestrijdingsplan dienen te beschikken. In maart 1989 bleek dat slechts zes van de tien gemeenten voldeden aan die eis. Op dit moment beschikt 83 procent (540 gemeenten op een totaal van 647), over zo'n op de locale situatie afgestemd plan.

Zo richt het rampenbestrijdingsplan van de gemeente Roermond zich op twee dreigingen: het regelmatig terugkerend ongemak van een hoge waterstand in de Maas en een mogelijk ongeval bij de plaatselijke chloorfabriek Solvay. Op basis van de draaiboeken voor die calamiteiten moest het crisisteam plotseling de gevolgen bestrijden van een aardbeving. Leidt deze gebeurtenis tot een andere benadering? “We zullen de bevolking wat meer voorlichting geven op dit terrein”, zegt Cloosterman. “Maar niet zo intensief als in aarbevingsgevoeliger gebieden in het buitenland. Je moet oppassen de mensen niet angstig te maken.”