Hof wijst verzoek Libië in affaire Lockerbie nu af

DEN HAAG, 15 APRIL. Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft gisteren in een voorlopige uitspraak het Libische verzoek afgewezen om de VN-sancties tegen dat land in verband met de Lockerbie-affaire te verbieden.

Libië had het Hof gevraagd vast te stellen dat de sancties in strijd zijn met de Conventie van Montreal van 1971. Hierin is een procedure vastgesteld voor de oplossing van internationale geschillen over de bestrijding van terrorisme in het luchtverkeer. Maar een meerderheid van het Hof vond dat in dit geval resolutie 748 van de Veiligheidsraad prevaleert boven die Conventie.

Elf rechters steunden deze uitspraak; vijf rechters hebben hun afwijkende mening toegelicht. De Libische vertegenwoordiger bij het Hof, Mohamed Al Faitouri, liep meteen na de uitspraak woedend weg uit de rechtszaal. Later verklaarde hij dat de uitspraak van het Hof betekent dat de “wet van de jungle” de internationale verhoudingen gaat bepalen. De Belgische advocaat Jean Salmon die de Libische zaak had bepleit, verklaarde dat deze uitspraak “de Veiligheidsraad boven het Internationaal Hof plaatst”.

Het Hof heeft er daarentegen op gewezen dat er “geen hiërarchie” is tussen Veiligheidsraad en Internationaal Hof. De suggestie dat dit na de uitspraak van gisteren wel zo is, vindt M. Kamminga, hoofddocent volkenrecht aan de Erasmus-universiteit, “te simplistisch”. Ook volgens VN-expert N. Schrijver van het Institute of Social Studies in Den Haag is nu duidelijk dat het Hof de gelegenheid heeft zich naast de Veiligheidsraad met een zaak te bemoeien. Washington had Tripoli ervan beschuldigd het Hof te misbruiken om het werk van de Veiligheidsraad te vertragen.

Volgens artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties is er wel een hiërarchie tussen internationale verdragen en het Handvest. Dat artikel bepaalt immers dat verplichtingen op grond van het Handvest prevaleren boven verplichtingen die voortvloeien uit een internationaal verdrag. Het VN-Handvest bepaalt in artikel 25 dat alle lidstaten verplicht zijn de resoluties van de Veiligheidsraad uit te voeren.

Kamminga wijst erop dat de Veiligheidsraad ook aan landen die zich aan internationale verdragen houden, sancties mag opleggen als de raad een bedreiging constateert voor de internationale veiligheid. “Dat is het merkwaardige van de constructie van het Handvest. Dat is bewust zo gedaan door de opstellers ervan die na de Tweede Wereldoorlog vonden dat de handhaving van vrede en veiligheid boven alles gaat.” De vaststelling van die dreiging door de Veiligheidsraad kan niet getoetst worden door het Hof.

De Conventie van Montreal bepaalt dat de ondertekenaars bij geschillen over de bestrijding van het terrorisme in het luchtverkeer zes maanden lang zullen proberen het conflict langs de weg van internationale arbitrage op te lossen en vervolgens een beroep doen op het Hof. Libië voelt zich geschonden in zijn rechten omdat de VS en Groot-Brittannië die weg niet hebben bewandeld.

Het Hof onderstreepte gisteren dat het op geen enkele manier vooruitloopt op een latere beslissing over de rechtmatigheid van het handelen van de betrokken partijen. Het stelt alleen maar vast dat de door Libië voorgelegde informatie onvoldoende is voor een procedure volgens artikel 41 van het Statuut van het Internationale Hof. Daarin is een soort kort geding van het internationaal recht geregeld waarbij het Hof in spoedeisende gevallen voorlopige maatregelen kan wijzen om de rechten van partijen in afwachting van een definitieve uitspraak te beschermen.

In persoonlijke verklaringen van de rechters die bij de uitspraak zijn gevoegd wijst de Guyaan M. Shahabuddeen erop dat de VS en Groot-Brittannië in hun verklaring “volledige schadevergoeding” eisen, hetgeen doet vermoeden dat de twee landen al voor het proces veronderstellen dat de twee verdachten schuldig zijn.