Een dijk voor de kop (3)

Aan de voet van de Etna is deze week het eerste boerenhuis door de hete lavastroom verzwolgen. Op de muur hadden de bewoners gekalkt "Bedankt, regering!' - een verwijzing naar de Italiaanse verkiezingen die naar de indruk van de bedreigde dorpelingen eerst afgehandeld moesten worden vóór de autoriteiten gingen optreden.

Dat zal de waterschappen, de provinciale coördinatie-commissie en gedeputeerden, Rijkswaterstaat, de minister van verkeer en waterstaat en de meerderheid in de Tweede Kamer niet overkomen. Die houden kloek en moedig vast aan de norm dat de Nederlandse rivierdijken hoogstens één keer in de 1250 jaar mogen doorbreken of overlopen. Zij zorgen goed ons.

"Foutje, bedankt', zou de reactie kunnen zijn van iedere onbevooroordeelde Nederlander die het programma overziet van meer dan zeshonderd kilometer dijkversterking, waarvan inmiddels één derde is uitgevoerd. Wie hoofd en hart bij elkaar houdt kan met eigen ogen vaststellen dat het ontzielde rivieren-landschap langs de dijken waar onze veiligheid al is veilig gesteld, het slachtoffer moet zijn van een rampzalige vergissing.

Bij nader inzien gaat het om minstens twee kardinale gebreken in het Nederlandse denken en doen. De democratie wordt formeel toegepast en in werkelijkheid misbruikt om historisch onwijze en eenzijdige maatregelen door te drukken - daarover een volgende keer. Minstens even gek is dat het hele programma stoelt op een risico-beoordeling die willekeurig, onwetenschappelijk en aanvechtbaar is.

Het is niet toevallig dat deze fundamentele dwalingen op tragische wijze samenkomen bij het monster-project ter beveiliging van onze rivierdijken. Nederland voelt en weet dat langs deze beroemde dijken Europa leegstroomt. De delta-functie markeert onze rol in de wereld. Ons gevecht tegen de uitwassen van zee- en rivierwater bepaalt in belangrijke mate ons nationale zelfrespect. Het blijkt dat wij met deze erfenis grootschalig en verkrampt omgaan.

De aardbeving van zondagnacht heeft onze mentaliteit ten opzichte van risico weer eens geïllustreerd. In Limburg is een miljoenenschade aangericht, maar 5,5 op de schaal van Richter is niet genoeg om het Nationaal Rampenfonds te laten uitrukken. Dat zou het mooist zijn geweest: alles als een reisverzekeringetje geregeld.

Desondanks klinkt allerwegen de roep om vergoeding. Gedupeerden hebben recht op verontwaardiging, gemeenten en provincie knikken instemmend, de Tweede Kamer kijkt de minister van binnenlandse zaken aan: het kan toch niet zo zijn dat burgers zomaar zelf de gevolgen van een zeldzaam en hoogst vervelend natuurfeit moeten dragen?

Verzekeringsmaatschappijen koesteren hun kleine lettertjes. In het openbaar bestuur daagt ook steeds vaker het inzicht dat de nationale premies, c.q. belastingen wat hoog worden als de zondvloed mee-verzekerd moet worden. In onze arrangementen en zeker in het openbaar denken, zit nog sterk de moraal verankerd dat het schandelijk is individuën enig financieel risico te laten lopen voor tegenslagen waar zij zelf weinig of geen schuld aan hebben. Rokers worden verpleegd omdat zij jaren belasting hebben opgebracht, maar een aardbeving is echt zielig en valt moreel buiten ieder schuldbesef, en zou dus vergoed moeten worden.

Deze risico-beleving verklaart mede waarom de lange mars van de betonmolen langs de rivierdijken in de Kamer tot nu toe slechts door Groen Links en D66 ter discussie wordt gesteld: Verstandig Nederland weet wel beter, met de veiligheid van mensen sol je niet om een paar kwelbosjes en dijkhuisjes te sparen.

En vervolgens worden onschuldige weg- en waterbouwers achter hun rekentuig gezet om uit te plussen wat Veilig is. Een computer antwoordt wat je er in stopt. En dan kijkt bijna iedere volksvertegenwoordiger, van provincie tot rijk, de andere kant op. Want de keus voor een veiligheids-norm van 1/1250 is volstrekt willekeurig. Daar schuilt geen enkele wetenschappelijke wijsheid achter. Neem uw wijsvinger, bevochtig hem licht em hou em in de wind.

Jarenlang was één doorbraak per 3000 jaar het streef-risico. Toen kwam er in de jaren zeventig een commissie die één op de 1250 ook wel aanvaardbaar vond. Toen waren de verschrikkingen van de eerste dijkversterkingen achterhaald. Jammer voor Brakel en de strijders van het eerste uur die hun leven offerden om het land wakker te schudden. Tot Rijkswaterstaat in 1985 met nieuwe sommen kwam, op grond van nieuwe inzichten over de afstroom van de rivieren, de ribbels op de waterbodem, de klimaatveranderingen. Gevolg: de dijken moesten nog hoger en breder dan oorspronkelijk.

Rijkswaterstaat doet zijn werk ongetwijfeld serieus. En zal morgen weer nieuwe ontdekkingen doen. Zeeën en continenten laten zich niet temmen, de Delta-werken hebben andere effecten dan destijds voorzien. Over de oorzaken van vroegere dijkdoorbraken is het laatste woord evenmin gezegd.

Het wordt tijd dat we ons bewust worden van de schijn-zekerheid die wij met vier miljard gulden aan dijkverhoging kopen. In de gezondheidszorg wordt de zinnigheid van onbeperkte dijkverzwaring door de medische ingenieurs al wat langer ter discussie gesteld.

De secretaris van de Gezondheidsraad, dr. P. Bol, wijst er op dat in de geneeskunde de betrekkelijkheid van het heil van grote programma's ter voorkoming van ziekte en dood “inmiddels tot volle wasdom is gekomen”: “Het besef groeit dat voorkomen niet altijd beter is dan genezen, niet in kosten, maar ook niet in de gevolgen voor de samenleving in de vorm van medicalisering van het leven”. Bol voegt daar aan toe: “Dat desondanks veel (potentiële) patiënten blijven zeuren om preventieonderzoek, duidt erop dat we gewend zijn geraakt aan omvangrijke (pogingen tot) risico-reductie”.

In dit licht gezien is de hospitalisering van het rivierenlandschap nog schrijnender: daar zeuren vrijwel geen patiënten om dijkvaccinaties. De meeste bewoners zijn verbijsterd als huis en haard, uitzicht en levenslange harmonie moeten wijken voor de handige tongen en de draglines van de Veiligheidswaan. De laatste vijftig jaar is aan de bestaande dijken vrijwel geen onderhoud verricht, dàt vinden zij gevaarlijk, maar daar hebben de waterstaatkundige witjassen bij bestuur en politiek zich nooit merkbaar zorgen om gemaakt.