d'Ancona: duidelijkheid in toekomst omroep; "Ophouden met gekakel en programma's maken'

ROTTERDAM, 15 APRIL. Minister d'Ancona van WVC hoopt nu eindelijk duidelijkheid te scheppen in de toekomst van de publieke omroep. De ministerraad heeft de een toekomstvisie van d'Ancona geaccordeerd, de Tweede Kamer zal zich er nu over buigen. “Ik heb ondanks alle geschreeuw een paadje gebaand voor drie tv-netten en vijf radio-zenders voor publieke omroep”, zegt d'Ancona. “Er liggen duidelijke regelingen voor commerciële omroepen. Ik denk dat er een goede kans is dat we in Nederland een aantrekkelijk publiek bestel overhouden. Dit is de afsluiting van een belangrijk stuk van het traject. Nu maar eens mooie programma's maken en ophouden met het gekakel.”

De publieke omroep kan de concurrentieslag met de commerciële omroep overleven, is de stelling van d'Ancona, maar moet daarvoor een aantal concessies doen: samenwerken per net (de minister heeft een voorkeur voor naar een indeling met AVRO, KRO en NCRV op Nederland 1, TROS, Veronica en EO op Nederland 2 en VARA, NOS en VPRO op Nederland 3), een bijdrage uit eigen kas leveren en zich eventueel voegen in een gemeenschappelijk programmaregime. Bovendien moeten de taken van de NOS volgens de minister worden gesplitst en veel duidelijker afgebakend. Gaan de omroepen hiermee akkoord, dan wil de minister de omroepen zendtijd voor de komende tien jaar garanderen. Door de extra inkomsten uit zondagsreclame, de succesvolle speurtocht naar zwartkijkers en de stabiel blijvende kijkcijfers en STER-inkomsten ziet het er met het bestel volgens minister d'Ancona (WVC) "niet onrustbarend' uit.

“Langzamerhand bestaat in Hilversum de bereidheid om in de samenwerkingsconstructie verder te gaan, zeker bij de omroepen op Nederland 1. Dat doet hun identiteit geen geweld aan. Ze zijn blij met een langjarige concessie, want ze willen wellicht toe naar een gezamenlijke huisvesting. Per net moet er een programma-coördinator worden aangesteld, die het vertrouuwen heeft van de drie samenwerkende omroepen. Hij krijgt veel gedelegeerd, terwille van de efficiency.”

De NOS-taken worden gescheiden. Betekent dat niet een verzwakking ontmanteling van de publieke taak van de NOS?

“Nee, ik vind dat in een nationaal bestel zaken als het journaal, de sport en evenementen voor ieder van de drie netten beschikbaar moeten zijn. Dat moet niet allemaal naar Nederland 3, waarop de NOS met hele specifieke taken ook een plek krijgt. Deze constructie is bedoeld om die gepolariseerde visie te overbruggen tussen "zuilen' en het nationaal bestel. Het is een heel constructief om dat eens te doorbreken. De NOS zorgt er voor dat je een gevarieerd aanbod krijgt. Waarbij je ook minderheden in staat stelt om zich zich te presenteren. Ook de meeste kleine zendgemachtigden komen in aanmerking voor een meerjarige concessie.

“Per zendernet moeten straks gedrieën goede afspraken worden gemaakt over hoe je met een minimum aan kosten een maximale output kunt realiseren op lange termijn. Dat samenwonen moet je natuurlijk ook de ruimte geven. Vandaar die concessie voor tien jaar. ”

Programmamakers van VPRO en NOS vrezen dat hun specifieke genre door deze indeling ernstig in gevaar komt. Welke garantie biedt deze indeling dat kwaliteitsprogramma's tot hun recht komen?

“Ze hebben samen nog steeds de verplichting om te voldoen aan een programmavoorschrift. Dat is heel belangrijk als je wilt verdedigen dat de publieke omroepen zoveel ruimte krijgen. Daar moet wel wat tegenover staan. De mogelijkheid om het programmavoorschrift niet meer laten gelden voor iedere specifieke zendgemachtigde is natuurlijk, net als die concessies, bedoeld om de samenwerking te bevorderen. Aan de andere kant geef je meer ruimte aan omroepen die hun specificiteit of identiteit waar willen maken. Omdat je dan onderling met elkaar kunt afspreken dat iedereen uitzendt waarin die het sterkste is.

“De VARA heeft succesrijk geopereerd in het betere en niet het gemakkelijkste amusement. Zo kunnen zij, door dat genre iets meer te brengen, ook meer ruimte geven aan de specialiteiten van anderen. In die oprekking zit aan de ene kant een bevrijding en aan de andere kant de mogelijkheid om hun sterke, identiteitsgebonden kanten meer te tonen. Het aardige van mijn idee is, dat de gezamenlijkheid niet in strijd is met de verbijzondering, maar juist meer ruimte geeft aan die verbijzondering.”

Betekenen die concessies een einde aan de onderlinge concurrentieslag tussen omroepen op het gebied de leden, kijkcijfers en de abonnementen op de gidsen?

“Dat mag ik wel hopen. Ik eis dat de omroepen in zakelijk opzicht coördineren en samenwerken. Dan is in financieel opzicht een langere planning noodzakelijk. Er zijn grote financiële belangen mee gemoeid; je moet weten waar je aan toe bent. Dat kan niet van jaar tot jaar. Waar ik me lang aan heb geërgerd is dat de publieke omroepen elkaar zaten te beconcurreren in plaats van te begrijpen dat het onzinnig is om elkaars concurrent te zijn terwijl de echte concurrent buiten het bestel gelegen is. Je moet dus met elkaar, de som der delen, zien sterker te zijn te zijn tegenover de bedreigende commerciële omroep. Als je niet meer van jaar tot jaar de kijkers en leden van elkaar af behoeft te snoepen, dan brengt dat niet alleen rust in de tent, maar het maakt ook van het publieke bestel een geheel.

“In feite leidt mijn beleidsnota naar een duaal bestel, met een heldere scheiding tussen een publiek en een commercieel bestel. Waarbij een eerlijke ruimte bestaat voor degenen die commercieel willen worden. De commissie-Donner vond een heldere waterscheiding tussen commercieel en publiek noodzakelijk. Dus niet - wat ook nog wel eens heeft rondgezongen in de plannen van de NOS - semi-commerciële vecht- of vetmest-netten; dat is absoluut niet te verdedigen. Voor niemand gaat voor niets de zon op. Ook het publieke bestel moet voldoen aan een aantal strenge Europees-rechtelijke maatstaven om die etherfrequenties te krijgen.”

U heeft gezegd dat de publieke omroep zich uit drie bronnen moet bedruipen: de omroepbijdrage, de reclame-inkomsten en de eigen bijdrage. Dat stuitte op veel verzet van de omroepen, die hun eigen kapitaal niet willen aanspreken.

“Er wordt geld verdiend. En ik zie niet in waarom je dat geld niet weer in programma's stopt. In hoeverre dat kan, dat zoekt een commissie onder leiding van A. van der Zwan nu uit. We hebben in Nederland een omroepbijdrage, die is volgens sommigen te laag. Maar als er minder naar de publieke omroep wordt gekeken is het toch heel onlogisch om daar meer voor te laten betalen. Door de verruiming van de STER-wet zijn de reclame-mogelijkheden nu optimaal. Maar ik ben niet voor programma-onderbrekende reclame. In een commercieel bestel hebben ze ruimere regels. Daar moet onderscheid in blijven.

“Als de omroepen vinden dat ze hun vermogen niet kunnen inzetten ter verbetering van de programma's, dan hebben zij wellicht gelijk. Wat is er dan logischer dan dat ik een aantal onafhankelijke geleerde heren een onderzoek laat doen naar de vermogenspositie? Dan hoeven we daarover niet te blijven bekvechten. Wanneer dat nodig is kunnen de omroepen de ledenbijdragen verhogen. Het is geen sterktebod van de omroepverenigingen om daar zo bang voor te zijn. Als je aan één kant zegt: wij vertegenwoordigen een stroming in de Nederlandse bevolking die het op prijs stelt dat een deel van ons gedachtengoed via de media naar buiten wordt gebracht, maar aan de andere kant zó angstig doet voor die lakmoesproef. Van der Zwan en de zijnen zoeken uit welk deel van het vermogen je als buffer nodig hebt, maar ook welk deel je kan inzetten. Het zijn tenslotte geen bankiers!”

De NOS moet volgens u opgesplitst worden in een programmatische en een bestuurlijke eenheid. Hoe gaat dat eruit zien?

“Van de programmatische taken worden de zogenaamde bij uitstek taken, zoals sport en evenementen over de drie zenders verdeeld. De aanvullende taken worden dan op het derde net uitgezonden in samenwerking met VARA en VPRO. In de moeizame constructie van het NOS-bestuur, waarin al die omroepverenigingen zitten die zowel voor de gezamenlijkheid als voor hun eigen belangen opkomen, wil ik een splitsing teweeg brengen. Daarbij krijgt het ene gezelschap het algehele beheer onder zich en een ander gezelschap krijgt bestuursmatig voor de dagelijkse gang van zaken de verantwoordelijkheid. Dat moet ook wettelijk verankerd worden. Zoals het nu gaat is niet een voorbeeld van doelmatig, efficiënt en kwiek regeren.”