Westerse economie komt door Oost-Europa ter discussie

Met de opkomst van een markteconomie in het voormalige Oostblok, moeten ook de beginselen van de economie van West-Europa ter discussie worden gesteld. Jacques Attali, de president van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, zei dit gisteren in zijn rede tot de jaarvergadering van de bank in Boedapest, waarvan hier enkele fragmenten.

Onmiskenbaar neemt het aantal particuliere ondernemingen in Centraal-Europa toe - al komt dat zorgelijk genoeg soms vooral in zwarte handel tot uitdrukking.

Maar de privatisering en de oprichting van vrije ondernemingen gaan in de meeste landen nog veel te langzaam. In het huidige tempo zou het nog wel twee generaties duren voordat de particuliere sector daar vergelijkbaar is met die in West-Europa. (...)

Sommige sectoren moeten totaal opnieuw gestructureerd worden voordat er over privatisering gedacht kan worden. Dat geldt in het bijzonder voor de defensie-industrie, waarbij in de vroegere Sovjet-Unie meer dan twaalf miljoen werknemers in dienst zijn. Ook geldt het voor de kernenergiesector, de staalindustrie, de scheepsbouw en de zware industrie. Al deze sectoren hebben geen enkele concurrentiekracht en gaan, net als dat de afgelopen tien jaar in West-Europa het geval was, mank aan overproduktie.

(...) De buitenlandse handel is volkomen uit balans. Door instorting van de banden tussen de Comecon-landen is de handel tussen die landen met dertig procent verminderd. Deze ontwikkeling is gedoemd zich voort te zetten, wat ook zal leiden tot vermindering van de produktie. Als van de gewone marktprijs zou worden uitgegaan, heeft Rusland een substantieel handelsoverschot in vergelijking met de andere repubieken van de vroegere Sovjet-Unie. Omdat die niet in harde valuta kunnen betalen, zal de handel nog verder achteruit gaan en zal de produktie tot stilstand komen.

Afgezien van zo'n bijzondere uitzondering als Hongarije, kan handel met de rest van de wereld de ineenstorting van de handel binnen het voormalige Oostblok niet goedmaken. Betrok Oost-Europa in 1991 35 tot 60 procent van al zijn import uit het Westen, slechts drie procent van de invoer van het Westen kwam uit Oost-Europa.

Hiervoor is het Westen vooral verantwoordelijk. Oost-Europa heeft zijn importbelemmeringen al met meer dan veertig procent verminderd, maar het Westen kent nog steeds importheffingen op Oost-Europese landbouwprodukten die honderdzestig procent belopen.

(...) Wat willen we eigenlijk? Willen we een vrije economische ruimte in Europa scheppen of zijn we uit op politieke chaos op het hele continent? Op het ogenblik ziet het er naar uit dat iedereen vasthoudt aan wat hij heeft, en voor anderen de grenzen sluit. Maar het is onmogelijk een economie tot bloei te brengen of ondernemingen te privatiseren, zonder markten. Het is zinloos leningen te verstrekken tot steun aan de handelsbalans, als we niet tegelijkertijd de markt opengooien die er voor moet zorgen dat deze leningen door middel van export gefinancierd kunnen worden. Het is hoognodig dat de GATT-onderhandelingen eindelijk succesvol worden afgerond.

Bovendien moet de EG tot een gedurfde, alomvattende overeenstemming met zijn buren in Oost-Europa zien te komen. Ik heb daarom al het voorstel gelanceerd voor een multilaterale overeenkomst tussen de veertig Europese landen om tot één gezamenlijke vrije markt te komen. (...)

Men zal de moed moeten hebben om in te zien dat succesvolle verandering in Oost-Europa onverenigbaar is met het huidige landbouwbeleid van de EG. De grondslagen van dat beleid moeten op bepaalde punten radicaal worden bijgesteld. Zo zal erkend moeten worden dat boeren, onafhankelijk van hoeveel zij produceren, recht op inkomen hebben. Aan de andere kant kan succesvolle overgang in de Oost-Europese landen niet samengaan met modernisering van al hun staalindustrie en andere zware industrie. Op grond van de krachten van de vrije markt is op dit gebied een continentale werkverdeling nodig, net zoals de EGKS dat eerder in West-Europa heeft geregeld.

(...) Zoals het einde van de Koude Oorlog de grondslagen van de defensieorganisatie van de Westerse democratieën ter discussie stelde, zo stelt het begin van de markteconomie in Oost-Europa ook de grondslagen van hun economische organisatie aan ter discussie. Een bron van grote bezorgdheid hoeft dat niet te zijn. Want economische verandering in Oost-Europa, aangenomen dat die succesvol uitpakt, zal ook een bron van groei zijn. Maar als de oostelijke helft van Europa in de greep komt van recessie en werkloosheid, moeten we vrezen voor geweld en oorlog. En geweld zal besmettelijk zijn, het zal niet tot Oost-Europa beperkt blijven, zoals de Europese geschiedenis in deze eeuw al twee keer heeft laten zien.

Het schrijven was voor Johnson vanaf de ontdekking van het verraad lange tijd onmogelijk. Hij verhuisde naar een huisje aan de Engelse kust waar hij er nog in slaagde de tetralogie Jahrestage te voltooien. Toen begaven zijn krachten het. In zijn testament had hij bepaald dat niets van zijn persoonlijke bezittingen aan zijn vrouw mocht worden gegeven.