Ventielen voor onbehagen

Als Labour de verkiezingen niet kan winnen wanneer het land zich op het dieptepunt van een recessie bevindt, dan kan het nooit winnen. Die opmerking konden we vorige week vaak op de Britse televisie horen na de vierde achtereenvolgende overwinning van de Conservatieven.

Hoe begrijpelijk deze reactie ook is, toch gaat zij uit van een blijkbaar verkeerde vooronderstelling, namelijk dat linkse partijen profiteren van slechte tijden. Maar dat is, in zijn algemeenheid, helemaal niet waar. Kijk maar naar ons eigen land.

Bij de verkiezingen van 1933, de eerste na de intreding van de grote economische crisis, kregen de gezamenlijke linkse partijen 26 procent van de stemmen - 0,4 procent minder dan bij de verkiezingen van 1929. En in 1937 - toen de werkloosheid, hoewel afnemend, nog even groot was als vier jaar tevoren - verloren zij nog eens 0,7 procent. (Voor de SDAP alleen waren de percentages: 1929: 23,8, 1933: 21,5, 1937: 21,9.)

Bij de eerste naoorlogse verkiezingen, toen hoop op betere tijden gloorde, kreeg gezamenlijk links 38,9 procent - een sprong van 13,6, vergeleken met 1937. (De PvdA, opvolgster van de SDAP, sprong van 21,9 in 1937 op 28,3.) Daarna heeft gezamenlijk links nooit meer zo'n hoog percentage gehaald. De PvdA is niet hoger gekomen dan 33,8 in 1977.

Er is dus geen direct oorzakelijk verband tussen slechte tijden en winst voor linkse partijen. Eerder kan gezegd worden dat in slechte tijden de behoefte aan vastigheid, de voorkeur voor het bekende boven het onbekende groter is, evenals de huiver voor experimenten. Dat werkt over 't algemeen niet ten voordele van links (hoewel sommige linkse leiders, zoals Drees, aan die behoefte kunnen voldoen).

In elk geval kan onze PvdA geen hoop putten uit de Britse verkiezingsuitslag, evenmin als uit de Franse en Duitse, die daaraan zijn voorafgegaan. De Duitse uitslagen tonen bovendien enkele trends die uitgesproken verontrustend zijn voor links, meer in het bijzonder voor de sociaal-democratie.

Niet alleen heeft de SPD niet kunnen profiteren van de algemene malaise die in Duitsland heerst - in Baden-Württemberg viel zij met 2,6, in Sleeswijk-Holstein met 8,6 procent terug - maar ook blijkt zij juist in de steden en arbeiderswijken veel aan de ultrarechtse partijen verloren te hebben.

In Sleeswijk-Holstein heeft 11 procent van de arbeiders op de Deutsche Volks-Union gestemd, en in Baden-Württemberg 19 procent van hen op de Republikaner. Bij de in vakbonden georganiseerde arbeiders was de winst voor die rechtse partijen zelfs nog groter.

Niet minder verontrustend is dat, terwijl in Baden-Württemberg de Republikaner 10,9 procent van het totaal aantal stemmen kregen, en in Sleeswijk-Holstein de DVU 6,3, bij de leeftijdsgroep van 18 tot 25 jaar de respectieve percentages 16 en 10 waren.

Alarmerend is ook dat het aantal niet-stemmers in beide deelstaten groot was. In Baden-Württemberg haalden zij, met 29,8 procent van het totaal kiesgerechtigden, zelfs een hoger percentage dan de grootste partij, de CDU (27,4 procent van de kiesgerechtigden, 39,6 procent van de opgekomen kiezers). Ook onder hen zijn er relatief veel die tot de arbeidersstand en de jeugd behoren. Uit dat reservoir van mensen die niets van de huidige politiek willen weten, kan nog van alles voortkomen.

Met herleving van het bruine spook, dus met zogenaamd neo-nazisme, heeft dit alles heel weinig van doen. Dat is een veel te gemakkelijke verklaring, die op zelfmisleiding neerkomt. Het verschijnsel laat zich ook niet bestrijden met demonstraties tegen fascisme en racisme. Die overtuigen alleen maar de reeds overtuigden, als ze al niet averechts werken.

Hoewel de sociaal-democraten, die nog altijd een partij van de arbeiders en van de toekomst (dus van de jeugd) pretenderen te zijn, zich die verschijnselen in het bijzonder moeten aantrekken, is dat geen reden voor de meer burgerlijke partijen zich er geen zorgen over te maken. Niet alleen de sociaal-democratie, de democratie in het algemeen is er door bedreigd.

Ook is het veel te gemakkelijk de crisis in de sociaal-democratie te verklaren uit de déconfiture van het socialistische model overal waar dat nog vijf jaar geleden heerste. Zeker heeft die déconfiture het vertrouwen in de staat als panacee (of "albedil', zoals Van Agt zei) nog verder ondermijnd, maar de onzekerheid die is ontstaan na het einde van de Koude Oorlog, die althans het voordeel had dat iedereen wist waar hij aan toe was, tast iedereen aan.

Nederland ontkomt daar niet aan, al uit die onzekerheid zich hier anders dan in Duitsland of Frankrijk (Engeland lijkt er, dank zij zijn kiesstelsel, aan te ontsnappen). Bij ons wordt, zoals Rob Meines en Robert van de Roer schrijven in deze krant van 11 april, “een grotere toeloop naar Centrumdemocraten en Groen Links ogenschijnlijk tegengegaan door de aanwezigheid van D66, zolang die partij niet in de regering zit”.

D66 dus als bliksemafleider van politiek onbehagen. Of, in andere woorden: als D66 er niet was, zou ook Nederland met groter extremisme te maken hebben, zoals nu Frankrijk en Duitsland. Die analyse is waarschijnlijk juist, maar ach, hoe doet zij mij denken aan wat ik in 1967, na de eerste overwinning van D66 (toen nog D'66), schreef en wat mij toen niet in dank werd afgenomen.

“Nederland is Duitsland niet, maar wel is er in beide landen een onbehagen over de verstarde heerschappij der oude partijen. In Duitsland maakt de NPD” - een nu bijna verdwenen voorloper van DVU en Republikaner - “zich daar tolk van, en voor zover zij daarmee niet uitsluitend hen vangt die heimwee hebben naar een recent verleden - en ook zij heeft een groot percentage jeugdigen onder haar kiezers - is zij qua verschijnsel (dus, let wel, niet qua program of doeleinden) vergelijkbaar met D'66”.

Deze poging tot "wetenschappelijke plaatsbepaling' van D'66, zoals ik deze analyse toen noemde, mag al dan niet geslaagd heten en, zo ja, vandaag al dan niet nog geldig zijn, in elk geval mag Nederland zich gelukkig prijzen met D66 als ventiel voor het politieke onbehagen - althans “zolang die partij niet in de regering zit”.