Pesterijen niet welkom Hollands Maandblad 1992/4. ...

Pesterijen niet welkom Hollands Maandblad 1992/4. Uitg. L.J.Veen, 46 blz.ƒ9,25

De smaak van apevlees Granta 39, The Body. Penguin, 256 blz.ƒ30,95

De es, de zee en de haas De Essayhaas nr.1, lente 1992. 40 blz.ƒ9,50. Uitg. Holmsterland Groningen, 050-132270

Pesterijen niet welkom

Er zijn mensen die vinden dat het Hollands Maandblad na het overlijden van K.L. Poll had moeten ophouden te bestaan. Zo'n uitgesproken eenmanstijdschrift laat zich niet zomaar door anderen overnemen, is de redenering, en daar zit veel in. Maar we hebben het nog steeds. De voortzetters waren J.J. Peereboom, W. Woltz, Arjen Schreuder. Ruim een jaargang later zijn, een voor een, Woltz en Schreuder om niet nader verklaarde redenen eruit gestapt en is het Hollands Maandblad opeens wéér een eenmanstijdschrift. Peereboom (1924) was decennialang bevriend met Poll, de geestelijk vader, en beschouwt zichzelf dan ook als een "oom' van het blad. De doctor in de letteren in ruste staat er nu in zijn eentje voor en publiceert "Enkele beginselen' in dit nummer.

Daar is lang op gewacht. Poll drukte bij het dertigjarige bestaan van zijn blad eenvoudig de beginselverklaring uit 1959 opnieuw af, die was onveranderd geldig. Op een "programma' van zijn opvolgers moest vijftien nummers gewacht worden, tot nu alleen Peereboom is overgebleven.

Mist Peereboom het malicieuze dat Poll had? Hij stelt in elk geval zeer beslist dat pesterige veeg-uit-de-pan-artikelen niet meer welkom zijn. Afbreken en belachelijk maken kan niet langer, felle kritiek moet nu geleverd worden in de vorm van positieve alternatieven voor het verworpene. (Werkt Peereboom hiermee de omstreden polemisten Henkes en Bindervoet er uiteindelijk uit?) Poll in 1959 en 1989: "Wij staan wantrouwend tegenover de keurigheid waarmee onfatsoenlijke keurigen hun onfatsoen proberen te camoufleren; maar ook tegenover de mensen die met nadruk de onkeurigheid en de slechte manieren tot programmapunt verheffen.'

De namen van Ter Braak en Du Perron zijn bij Peereboom verdwenen, maar hij lijkt weinig anders met zijn neef voor te hebben dan Poll met zijn geesteskind. Naast literatuur ook andere kunsten, wetenschap, onderwijs en politiek; de stijl van de medewerkers moet een persoonlijk karakter hebben; artikelen waaruit blijkt dat de auteur niet 100 procent van zijn gelijk overtuigd is zijn het hartelijkst welkom. Een onduidelijke eis is "Bijdragen moeten getuigen van plezier in het schrijven" waarmee niet gedoeld wordt op schrijfplezier.

Wat heeft dit nummer te bieden? Politiek (P. Bordewijk over de PvdA), zo te zien autobiografisch proza (Jean Schalekamp en Paul van Capelleveen), gedichten van Annetje Reens (1919) - "De dagen zijn geteld; / ik moet van binnen stoken: / de dood moet warm ontvangen worden", een introductie van petit matre en grand amateur William Beckford door zijn vertaler, en een veelbelovend fragment van Bert van Weenen (1962), dat ook al sterk autobiografisch aandoet.

Hollands Maandblad 1992/4. Uitg. L.J.Veen, 46 blz.ƒ9,25

De smaak van apevlees

Bill Buford heeft het weer voor mekaar. De nieuwe Granta opent met een schitterend, spannend verhaal van Redmond O'Hanlon, en het thema van de rest van het nummer moet ook iedere lezer wel aanspreken: The Body.

Tenminste een Engelse criticus heeft Lieve Joris in haar Terug naar Kongo (Back to the Congo) een te aardige, naïeve houding verweten. Daar wreekte zich misschien Joris' aardig uiterlijk? Zoiets zal O'Hanlon niet gauw overkomen.

Het verschil Joris-O'Hanlon openbaart zich al dadelijk in zijn eerste regel, waarin een vermoorde zwarte jongen beweend wordt door zijn vader, een medicijnman die zelf zijn hele gezin heeft omgebracht. O'Hanlon, bijzonder succesvol met reisverhalen over Borneo en het Amazonegebied, trok de Zaïrese jungle in op zoek naar een echte of mythische dinosaurus en vond (behalve vliegen, vlooien en luizen) inboorlingen met speren, lendedoeken en Adidasschoenen. Verder veel bloed, sperma, pus en zweet. Een indicatie: de meereizende kok is zwart, scheel, oversekst ("it's genetic, it's in the skin'), en kookt met zijn walkman op een stoofpot van apevlees "tasting of unwashed crotch'.

In zijn angst Aids op te lopen via enge beestjes denkt de schrijver aan reisschrijver Bruce Chatwin die, als we O'Hanlon mogen geloven, op zijn sterfbed tegen hem fluisterde "Redders! Your hands - they're so soft I don't believe you ever go anywhere. You just lie in bed and make it all up'.

Wie deze 66 bladzijden geromantiseerde factie overslaat houdt nog genoeg over: "The Body'. Je kunt al eindeloos kijken naar de omslagfoto van niet een ziek nijlpaard maar de dikste man ter wereld voor wie de weegschalen van het Guinness Book of Records te zwak bleken. Hij is een Koreaveteraan, die probeerde zelfmoord te plegen door zich dood te eten maar een broodwinning vond als kermisattractie. Namen in dit Body-gedeelte: Hanif Kureishi, Todd McEwen, Jeanette Winterson, Michael Dibdin, Victoria Tokareva, Giorgio Pressburger, en andere. Soms lijkt Granta wel internationaal het belangrijkste literaire tijdschrift, zij het dan niet het meest verbeeldingsrijke. Het boeit en maakt winst.

Fris is Granta met zijn realisme natuurlijk meestal niet. Dibdin beschrijft met een knipoog naar Zola een autopsie of drie, Winterson probeert in details van anatomieboeken een verdwenen geliefde terug te vinden maar blijft lyrisch, Kureishi verslaat een lesbische act-aan-huis van twee Pakistaanse vrouwen voor een publiek van Hindoes en Mohammedanen, de geëmigreerde Chinese Anchee Min debuteert hier met een beklemmend stuk over een Revolutionaire werkboerderij, waar een vrijpartijtje wordt bestraft met executie (de man) en waanzin (de vrouw). Lieflijk is Peregrine Hodsons beschrijving van een dolfijn in Noord-Engeland die het lekker vindt om zich door mensen te laten aanhalen.

Granta 39, The Body. Penguin, 256 blz.ƒ30,95

De es, de zee en de haas

Net voor Pasen lanceert uitgeverij Holmsterland een nieuw Gronings tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst dat De Essayhaas heet. Het noemt zich om preciezer te zijn een tijdschrift tussen literatuur en beeldende kunst, en de titel schijnt niet te verwijzen naar een groepering S-C-H's of iets dergelijks.

De Essayhaas komt van een Stichting Kreatie F (SKF), zal minimaal drie keer per jaar verschijnen en wil essays plaatsen over het "meer noordelijke cultuurgebied' waarbij "de provinciale stereotype' moet worden doorbroken.

In de naam zit es, zee en haas: "De es is het noordelijke veld, de akker rond het dorp; de zee is de mogelijkheid naar een wereld verderop te reizen en de haas is het symbool van de dolende mensenziel. De haas schijnt het enige dier te zijn dat geen vaste woon- of verblijfplaats kent".

Toegevoegd credo van dit nieuwe noordelijke blad is "artistieke vrijheid", die volgens de inleiding in deze tijd bedreigd wordt door de EEG ("prioriteiten van produktie en consumptie met de EEG als worgengel van natuur en cultuur op de achtergron; men denke maar aan de rasse vulgarisering van de tv").

Reinout van Montelbaan opent het eerste nummer met "De haat tegen het verhaal', waarin hij zich voor een keer aansluit bij Piet Grijs toen die boos was op Carel Peeters over zijn VN-afdeling "De Republiek der Letteren'.

"Echte vertelkunst roept slechts de afkeer op van de huidige generatie letterkundigen' meent Van Montelbaan. Hij wil méér aandacht voor Science Fiction en Fantasy (Peter Schaap, Wim Gijsen), voor Jan Mens, Hella Haasse ("echte epiek' - maar wordt haar werk veronachtzaamd?), de latere Leon de Winter, en minder enthousiasme voor "filosofen' en ranonkelaars - de "decoratieve anti-epiek' van M. Februari, Jacques Hamelink. Al dat modieuze gefilosofeer vindt Peeters wel mooi maar het leest niet lekker, trapt Van Montelbaan dit paadje nog wat platter; "de echte Nederlandse roman ondertussen is een zombie geworden".

Ons hedendaagse proza ontbeert volgens hem verbeelding, humor en emotionele prikkelingen - maar dit is toch al te grijs.

De rest van De Essayhaas bestaat in hoofdzaak uit besprekingen van boeken over grafiek en schilderkunst, een aardige bijdrage van Bert Andreae over de tekenaar Fabius von Gugel en een warrige van Jan Kooistra over Nico Rost.

Noord-Nederland moet toch wel met iets beters uit de bus kunnen komen?

De Essayhaas nr.1, lente 1992. 40 blz.ƒ9,50. Uitg. Holmsterland Groningen, 050-132270