NEIL KINNOCK; De grote bekeerder

LONDEN, 14 APRIL. Neil Kinnock, altijd al gezegend met een gezond gevoel voor humor, zal de ironie niet ontgaan. Nu hij politiek is mislukt, stromen de hulde-betuigingen binnen. De boyo, de windbuil, de intellectuele lichtgewicht wordt bij het einde van zijn leiderschap van de Labourpartij geprezen als een moedig man, een begaafd politicus en een groot tacticus. John Smith, zijn gedoodverfde opvolger, herhaalde het gisteren in vele varianten: Neil Kinnocks grote verdienste is, dat hij de partij heeft teruggebracht van de rand van de vergetelheid tot aan de drempel van een verkiezingsoverwinning.

Tot aan de drempel, maar voor de vierde achtereenvolgende maal er niet overheen. Vorige week waande Kinnock zich nog premier. Gisteren zag hij af van zelfs de prerogatieven van Leider van Hare Majesteits Oppositie: niet langer de gepantserde auto met escorte, niet langer de status van potentiële-machthebber, voorbij het salaris van bijna 60.000 pond, de staf van medewerkers en het donker-betimmerde kantoor in het paleis van Westminster. In plaats daarvan koos Kinnock uit naam van zijn kiezers in Wales een plaats op de achterbanken in het parlement en dingt hij naar een post in het partijbestuur. Daar wil hij zich verdienstelijk maken voor de verdere interne democratisering van de partij, die hij als haar aanvoerder zo hartstochtelijk heeft bepleit.

Het was Kinnock op zijn waardigst, op zijn verslagendst, op zijn uitdagendst en op zijn bitterst. En het was Kinnock op zijn kenmerkendst: met een indrukwekkend aanleggen schoot hij even indrukwekkend naast het doel. De “Tory-pers” ( The Sun en The Express vooral) gaat vandaag prat op zijn rol in Kinnock's aftreden, de Daily Mail gloriëert: die had altijd al gezegd dat Kinnock niet tegen zijn verlies kon.

“De stap die ik doe is een essentiële daad van leidinggeven. Hij heeft niet van doen met welke persoonlijke overgevoeligheid ook - hij vloeit geheel voort uit mijn verlangen dat de Labourpartij verder aan kracht zal winnen en beter in staat zal zijn om de bevolking van Groot-Brittannië en van de wijdere wereldgemeenschap te dienen.” Hij maakte “geen excuses”. “En ik breng geen bitterheid tot uitdrukking wanneer ik zeg dat de pro-Conservatieve pers de Tory-partij in staat heeft gesteld om weer te winnen, op een moment dat de Conservatieve Partij de overwinning niet kon binnenhalen op grond van eigen verdienste, op grond van zijn programma of op basis van zijn geaardheid.”

Als Kinnock na juni terugvalt op de helft van zijn salaris en weer zonder politiebescherming zijn huis in Ealing (West-Londen) bewoont, kan hij niet vooruitzien naar een lucratieve baan in de City of naar een glansrijke toekomst in het lezingencircuit à la Margaret Thatcher. Hij heeft geen boerderij, als de laatste Labour-premier James Callaghan, noch een ander beroep dan alleen dat van politicus met uitsluitend oppositie-ervaring. Zijn eventuele mémoires zijn daarom voor een uitgever maar matig interessant.

Waar Kinnock op kan terugkijken is op een carrière als partijhervormer, uitmondend in die van indrukwekkend leider van de Oppositie. John Major, die Kinnock een persoonlijke boodschap heeft gestuurd bij het nieuws van zijn terugtreden, moet een zucht van verlichting slaken bij het vooruitzicht dat hij de spottende, met gewicht-van-langere-ervaring sprekende, verbaal begaafdere Welshman niet langer twee maal per week tegenover zich weet. Kinnock werd tegenover Margaret Thatcher nog gehinderd door “a working class respect for a middle class woman”, maar pas tegenover Major, in vele opzichten zijn gelijke, kon de Labourleider zich voluit laten gaan.

De man-met-de-gouden-strot heeft onlangs opgebiecht dat hij bij het formuleren van Labour's nieuwe koers zoveel - en soms zulke tegenstrijdige - woorden gebruikte, omdat hij met opzet onduidelijk wilde zijn. Zijn eerste opdracht was om, na de katastrofale koers waarop Michael Foot de partij tot 1983 gezet had, linker- en rechtervleugel bijeen te houden en samen tot hervorming van Labour naar een verkiesbare partij te brengen. Daarin slaagde hij: hij ontdeed Labour van de invloed van militant-links, al kwam hij zelf van de linkervleugel van de partij. Hij bekeerde de partij van eenzijdige ontwapening, al was hij een voormalig vredesactivist. Hij leidde zijn partij van een anti-Europa naar een pro-Europa-standpunt en hij bekeerde zichzelf en passant mee.

Zoals hij zijn partij reconstrueerde tot potentiële regeringspartij, zo moest Neil Kinnock ook zichzelf her-uitvinden als mogelijk premier. Sinds de glitzy campagne van 1987 was er dus geen sprake meer van Kinnock de driftkikker, Kinnock de grappemaker, Kinnock de impulsieve, maar inplaats daarvan van Kinnock-de-staatsman, Kinnock-de-kostuum-drager en Kinnock-de-denker. In die rol kon hij zich nooit helemaal goed vinden. Soms barstte de oude Kinnock nog uit de naden van de verpakking: zo noemde hij een Tory-Lagerhuislid vorig jaar in het debat nog spontaan “een lul”. Maar diezelfde impulsiviteit maakte hem in de aanraking met mensen voor wie hij compassie voelde - ouderen, kinderen, misdeelden - onverslaanbaar warm en oprecht.

Zou Neil Kinnock een goed premier geweest zijn? (Een deel van) de Tory-pers heeft hem inderdaad afgeschilderd als een regelrechte bedreiging voor 's lands veiligheid en voor het welzijn van de burgers. De Labourleider geloofde zelf dat zijn kwaliteiten als man die een failliete partij tot een gezond bedrijf had weten om te toveren, hem ook een goed leider van het Britse volk zouden hebben gemaakt. Maar bewijzen kan hij dat niet meer.