Life with an idiot: Amsterdam hoort zwanezang van de Sovjet-Unie

Voorstelling: Life with an idiot van A. Schnittke; libretto: V. Jerofejev; door de Nederlandse Opera, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en een Vocaal Ensemble o.l.v. Mstislav Rostropowitsj m.m.v. o.a. Dale Duesing, Teresa Ringholz, Howard Haskin, Leonid Zimnenko, Robin Leggate en Romain Bischoff. Decor en kostuums: Ilja Kabakov; regie: Boris Prokovski. Gezien: 13/4 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 16, 19, 21, 23, 26, 28, 30/4.

Life with an idiot, de “eerste en laatste Sovjet-opera” van componist Alfred Schnittke en schrijver Viktor Jerofejev, ging gisteravond bij de Nederlandse Opera in première in het Amsterdamse Muziektheater in aanwezigheid van koningin Beatrix, prins Claus en minister d'Ancona (WVC). De voorstelling in de regie van Boris Prokovski, met decors en kostuums van Ilja Kabakov en gedirigeerd door cellist Mstislav Rostropowitsj was een groot publiek succes. En de muziek van Schnittke bleek een altijd direct aansprekende cavalcade van talloze fragmenten in evenzovele muzikale stijlen.

Na afloop, toen de vijf Russische kunstenaars op het podium verschenen, ontstonden roerende taferelen. De 80-jarige Boris Pokrovski toonde een jeugdig enthousiasme in zijn waardering voor de prestaties van solisten en koor, die volkomen overtuigden in dit met veel problemen ingestudeerde stuk, vooral een triomf voor hoofdrolspeler Dale Duesing. Rostropowitsj bleek ook zeer ingenomen met het effectvolle spel van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

De slechts voetje voor voetje bewegende Alfred Schnittke, getroffen door enkele beroertes, kon maar met moeite overreed worden het ovationele applaus in ontvangst te nemen en schuifelde telkens weer weg naar de coulissen, waar hij dan weer om de hals werd gevallen door Jerofejev en Rostropowitsj en naar voren geduwd om met een bos rode tulpen in de hand een buiging te maken.

Een dame voor mij liet haar tranen de vrije loop. Maar de voorstelling zelf riep toch niet dat soort emoties op. De sfeer in deze opera, die een requiem is voor zeventig jaar rood-doorlopen Sovjet-leven, is er vooral een van cabareteske luchtigheid, van ironie, van definitief afstand nemen van de onberedeneerbare chaos. In de vrijmoedige tekst en de drukke toneelbeelden loopt dat vermakelijke cynisme wel uit op treurigheid, maar die klinkt tegelijk ook weemoedig: het verleden leeft nu eenmaal onuitwisbaar voort binnen het ik.

De opera is zo Russisch, grotesk, absurd en speels tegelijk, dat een westerling er alleen met grote verbazing naar kan kijken en luisteren. De twee uur durende voorstelling vertelt het verhaal van Ik, die terugkijkt op zijn leven. Ik is een man die getrouwd was met "een nieuwe en zeer genietbare vrouw', die Proust leest. Het echtpaar kreeg om onduidelijke redenen voor straf een idioot in huis, Vova, die niets anders kon zeggen dan "ech'. Met zijn onaangepaste gedrag terroriseerde hij hen. Toen pasten zij zich aan hem aan. Eerst kreeg de vrouw een verhouding met Vova, later de man. Tenslotte knipte Vova het hoofd van de vrouw af met een heggeschaar uit de DDR en belandde Ik in het gekkenhuis waaruit hij Vova had opgehaald.

Dan zingt Ik samen met vrouw en Vova “de zwanezang van mijn revolutie” - een treurig liedje over het eeuwige Russische berkeboompje, een grillige berk op het land, lala-lala, een berkeboom. Het herinnert aan het lied dat aan het eind van de opera Boris Godoenov wordt gezongen door een andere idioot, Joerodivi, een klassiek Russisch personage dat heilig en onaantastbaar is en de waarheid spreekt. Daar spoorde de idioot de arme hongerende Russen nog aan hun tranen te laten stromen. Life with an idiot eindigt in totale inertie.

Waarschijnlijk was, als Life with an idiot nu in Moskou in première was gegaan voor een ex-Sovjetpubliek, die innerlijke boodschap van de opera emotioneel aansprekender geweest. Voor een zaal met Amsterdamse laat-kapitalisten was er natuurlijk weinig nieuw inzicht te ontlenen aan een verhaal dat het Sovjet-leven voorstelt als het leven met een idioot, een leven waarin niets verklaarbaars gebeurt, een irrationeel en hopeloos leven in een te klein huis, een leven waarin alles corrupt is, een leven in een maatschappij waarin iedereen collaboreert met het collectieve systeem en niemand persoonlijke verantwoordelijkheid neemt.

Voor een Russisch publiek zou ook vrijwel alles veel herkenbaarder zijn geweest: elk personage, elke zin, elke situatie, elke stijl-aanduiding in het decor, elke muzikale verwijzing van Schnittke in die tientallen korte scènes is hier immers een letterlijk citaat uit het onveranderlijke en vastgelopen Sovjet-leven.

De voorstelling is aanvankelijk overrompelend, maar uiteindelijk ook al te overdadig. Overal, met musici en koorleden ook op de balkons, gebeurt voortdurend iets. Een gedeelte speelt zich natuurlijk ook af in de zaal, zoals de scène waarin Ik een idioot mag uitkiezen. Met al die debielen in de gangpaden lijkt het zeker op de verwezenlijking van de utopie "Idioten aller landen, verenigt u'. Die enscenering van Pokrovski, decennia lang de regisseur van het zo officiële Bolsjoi-theater, heeft voor ons iets gedateerds. Maar omdat het over het verleden gaat, is het wellicht onvermijdelijk. De stijl lijkt vooral op het hier voorbije vormingstoneel, al wordt de pathetiek daarvan belachelijk gemaakt.

Prokovski laat nauwelijks iets over aan de verbeelding en het verhaal dat Ik vertelt wordt vaak al te letterlijk geïllustreerd. Het vergaandst in dat expliciteren is het voorstellen van de Idioot als Lenin zelf. Natuurlijk staat de Idioot in het verhaal van Jerofejev voor het wezen van het Sovjet-systeem, waarmee iedereen zijn wisselvallige relatie heeft. Dat was zonder deze karakterisering ook wel duidelijk geweest.

Als dat personage van Vova abstracter was gehouden, zou meer voldaan zijn aan de wens van Jerofejev om zijn verhaal vooral algemene geldigheid te geven en niet alleen een pure afrekening te laten zijn met het Sovjet-verleden, het afscheidslied van het Russische proletariaat dat zich de revolutie liet ontstelen door de communistische partij. Deze maatschappijkritiek heeft nu in Amsterdam even weinig zin als een Oudejaarsavondconference van Wim Kan tien jaar geleden in Rusland zou hebben gehad. Natuurlijk geeft het wel te denken dat deze Russen hier afscheid nemen van de Internationale en niet langer de verworpenen der aarde willen zijn, terwijl een paar weken geleden in Nijmegen de PvdA bij het kiezen van een nieuwe voorzitter dat soort sentiment weer propageerde door de Internationale te zingen: "de staat verdrukt, de wet is leugen'.

De voorstelling levert een aantal onvergetelijke beelden en situaties op, vooral rond Mstislav Rostropowitsj. Zijn opkomst is al geregisseerd: hij wordt naar zijn plaats geleid door de bewaker van het gekkenhuis en krijgt van hem dirigeerstokje en partituur. Rostropowitsj treedt ook op als barpianist in een caféstrijkje dat uit de orkestbak oprijst en speelt nog een paar soli op zijn cello.

Poly-stilisme was altijd al het het kenmerk van het componeren van Schnittke, die de muziek schreef bij tientallen films. Deze opera - toch een "vrij' werk, gaat in die veelzijdigheid veel verder dan zijn symfonieën en kamermuziek. Zoals het libretto een dwarsdoorsnee toont van het Russische leven - Scènes de la vie soviétique - zo verschaft Schnittke een anthologie van de Russische muziek met citaten van Sjostakowitsj en Strawinsky en in alle soorten en stijlen: marsen en fanfares, volks-, kermis- en ketelmuziek. Het werkt hallucinerend, bezwerend, angstaanjagend in die gierende hoge noten van de vrouw, slechts af en toe gecontrasteerd met elegische berusting. Wellicht vergeefs op zoek naar een nieuwe identiteit en een andere toekomst weerklinkt nog het verleden.